ECLI:NL:RBDHA:2026:20532

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
09/239860-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Taakstraf voor mishandeling beveiliger tijdens demonstratie Extinction Rebellion

Op 11 april 2024 vond bij de Fokker Terminal in Den Haag een demonstratie van Extinction Rebellion plaats waarbij de verdachte de beveiliger mishandelde door hem bij de keel vast te pakken en dicht te knijpen. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan bewijs, maar dit werd verworpen op basis van verklaringen van het slachtoffer en getuigen, alsmede het vastgestelde letsel.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren, met een subsidiaire hechtenis van tien dagen. Een geldboete werd niet passend geacht gezien de ernst van het feit en de context van de demonstratie. De rechtbank verwierp het verweer dat het slachtoffer disproportioneel geweld gebruikte en dat daardoor de artikelen 10 en 11 EVRM waren geschonden. Ook het persbericht van het Openbaar Ministerie uit januari 2025 werd niet strafverlagend meegewogen.

De redelijke termijn was met meer dan drie maanden overschreden, maar gezien de opgelegde taakstraf van minder dan honderd uren volstond de rechtbank met de constatering hiervan. De verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten. De rechtbank concludeerde dat de verdachte een laakbare gedraging heeft verricht die strafrechtelijk optreden rechtvaardigt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 uur taakstraf wegens mishandeling beveiliger tijdens demonstratie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/239860-24
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. van Lunen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door
- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en/of
- ( vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen/te drukken.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 11 april 2024 vond in de Fokker Terminal aan de [adres 2] in Den Haag een congres van Energie Beheer Nederland plaats. Omstreeks 12:50 uur kwam een groep van ongeveer twintig à vijfentwintig demonstranten van Extinction Rebellion (hierna: XR) op de entree van de Fokker Terminal af lopen. De toegang werd door de beveiligers geweigerd, maar de demonstranten van XR liepen door en drongen het gebouw binnen. Daarbij zou een van de beveiligers, [slachtoffer] , door een man bij de keel zijn gegrepen. [slachtoffer] heeft een foto van de man gemaakt en hem aangewezen aan de ter plaatse gekomen politie. Deze man bleek de verdachte te zijn. De verdachte werd vervolgens door de politie aangehouden.
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij op 11 april 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te pakken en/of zijn keel dicht te knijpen.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsvrouw.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Heeft een mishandeling van [slachtoffer] plaatsgevonden?
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] dat hij door een man bij zijn keel is gepakt, dat deze man zijn keel heeft dichtgeknepen en dat [slachtoffer] hierdoor pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Dat mededemonstranten hebben verklaard dat zij niet hebben gezien dat [slachtoffer] bij de keel werd gegrepen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit hun verklaringen blijkt niet dat zij bij hun actie voortdurend [verdachte] in het oog hebben gehouden en het hun daarom niet zou zijn ontgaan wanneer hij de beveiliger bij de keel had gepakt.
De verweren van de raadsvrouw dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd worden dan ook verworpen.
Was de verdachte de persoon die [slachtoffer] heeft mishandeld?
[slachtoffer] heeft verklaard dat de persoon die hem bij de keel vastpakte, een groen vest aanhad. Uit hetgeen [slachtoffer] overigens heeft verklaard, begrijpt de rechtbank dat hij hiermee een groen hesje bedoelt. Daarnaast heeft hij verklaard dat het een blanke man van ongeveer 1,80 meter lang met donkerkleurig haar in een knotje en een baard betrof. Op de door [slachtoffer] gemaakte foto van de persoon die hem bij de keel heeft vastgepakt, is, ook volgens de verdachte zelf, de verdachte te zien met een groen hesje aan. Ook [getuige 1] heeft een soortgelijk signalement opgegeven.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet bij de keel heeft vastgepakt en dat hij door [slachtoffer] hardhandig het gebouw uit is gezet. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij op het moment van het betreden van de Fokker Terminal en het fysieke contact met [slachtoffer] geen (groen) hesje droeg. Hij heeft dat hesje pas later aangetrokken, omdat hij en zijn mededemonstranten niet meteen als demonstranten herkenbaar wilden zijn.
De verklaring van de verdachte en dat wat zijn raadsvrouw in dit verband naar voren heeft gebracht, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] te twijfelen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] heeft niet alleen verklaard dat de persoon die hem bij de keel heeft vastgepakt een groen hesje droeg, maar ook dat hij die persoon bij zijn hesje vasthield. Een vergissing van [slachtoffer] , waarbij hij achteraf bij het zien van de verdachte met een groen hesje heeft bedacht dat de persoon die hem bij de keel heeft vastgepakt een groen hesje aan had, ligt dan minder voor de hand. Daarnaast laten de bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de mededemonstranten de mogelijkheid open dat de verdachte bij het binnengaan van de Fokker Terminal een groen hesje droeg. Datzelfde geldt voor de door de verdediging ingebrachte foto van de verdachte na het incident en waarop de verdachte zonder groen hesje is te zien. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte of zijn mededemonstranten geen hesjes droegen om niet meteen als demonstrant herkenbaar te zijn. Zowel [slachtoffer] als [getuige 1] heeft verklaard dat niet alleen de verdachte, maar ook andere demonstranten hesjes droegen toen zij richting de Fokker Terminal liepen. Die verklaringen passen bij de bevindingen van verbalisant [verbalisant] die kort na aankomst van de demonstranten ziet dat een aantal van hen hesjes aan hadden. Verder volgt uit de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] dat de demonstranten als groep op de ingang van de Fokker Terminal afliepen en mede daardoor als demonstranten herkenbaar waren. Ten slotte was de organisatie van het congres in de Fokker Terminal al bekend met een mogelijke demonstratie van XR en was om die reden (extra) beveiliging aanwezig en een plek aangewezen voor de demonstranten.
Mede gelet op de verklaring van de verdachte dat hij met [slachtoffer] (fysiek) in contact is geweest, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft mishandeld.
Voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw
De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om de mededemonstranten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] alsnog als getuigen te horen, af. De rechtbank ziet zich voldoende voorgelicht en acht het horen van deze getuigen niet noodzakelijk.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 11 april 2024 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door
- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en
- vervolgens de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 675,00, subsidiair 13 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en de chaotische omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Voorts is de redelijke termijn overschreden. Ook heeft het slachtoffer onbevoegd en disproportioneel geweld tegen de verdachte gebruikt, waardoor de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zijn geschonden. Tevens moet de publicatie van het persbericht van het openbaar ministerie van 15 januari 2025 in strafverlagende zin meegewogen worden. In voornoemd persbericht heeft het openbaar ministerie een publieke uitlating over de schuld van de verdachte gedaan. Hiermee is in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie en is artikel 6 van Pro het EVRM geschonden.
Op grond van het vorenstaande heeft de raadsvrouw toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel oplegging van een lagere geldboete dan door de officier van justitie gevorderd, verzocht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich tijdens een demonstratie schuldig gemaakt aan de mishandeling van een beveiliger. Het slachtoffer werd bij de ingang van de Fokker Terminal, waar op dat moment een congres plaatsvond, overlopen door een groep demonstranten die de Fokker Terminal wilde binnendringen. Daarbij heeft de verdachte geweld gebruikt door het slachtoffer bij de keel vast te pakken en de keel dicht te knijpen. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij de grenzen van het toelaatbare, ook tijdens de uitoefening van het recht op demonstratie, overschreden.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De op te leggen straf
Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt voor een eenvoudige mishandeling een geldboete. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen worden opgelegd voor strafbare feiten, begaan tijdens een demonstratie, en op de ernst van het bewezenverklaarde feit, zoals hierboven omschreven. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat een geldboete niet passend is. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, passend en geboden.
Dat het slachtoffer onbevoegd en disproportioneel geweld tegen de verdachte heeft gebruikt, is niet aannemelijk geworden. De raadsvrouw heeft deze stelling ook onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier volgt dat het slachtoffer de verdachte en zijn mededemonstranten heeft geprobeerd tegen te houden bij de ingang van de Fokker Terminal en dat daarbij duw- en trekwerk is geweest tussen het slachtoffer, de verdachte en de mededemonstranten. De omstandigheid dat tegen mededemonstranten mogelijk disproportioneel geweld is gebruikt, brengt niet zonder meer met zich dat ook de verdachte daarvan de gevolgen heeft ondervonden en dat die gevolgen tot strafvermindering moeten leiden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om vanwege tegen de verdachte of mededemonstranten gebruikt geweld tot strafmatiging over te gaan.
Ook is niet gebleken dat de artikelen 10 en 11 van het EVRM zijn geschonden. De vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame bijeenkomst is van zo'n groot belang dat iemand niet kan worden bestraft voor deelname aan een demonstratie die niet verboden is, zolang die persoon daarbij zelf geen laakbare daad/gedraging (“reprehensible act”) begaat. Wanneer dat wel gebeurt, kan een deelnemer aan een vreedzame demonstratie worden onderworpen aan (de dreiging van) een straf of maatregel. Door het slachtoffer te mishandelen heeft de verdachte gezorgd voor een meer ingrijpende ordeverstoring dan een normale vreedzame uitoefening van de door artikelen 10 en 11 van het EVRM gewaarborgde rechten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een “reprehensible act” gepleegd waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Voor strafmatiging vanwege schending van deze verdragsartikelen bestaat daarom evenmin grond.
Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om het persbericht van het openbaar ministerie van 15 januari 2025 in strafverlagende zin mee te wegen. Uit de inhoud en de context van het persbericht volgt dat het openbaar ministerie met een voorbehoud uitspraken met betrekking tot de schuld van de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit heeft gedaan. In het persbericht staat immers vermeld dat de verdachte op 11 april 2024 een beveiliger
zouhebben mishandeld en dat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd om een uitspraak te krijgen. Van een schending van de onschuldpresumptie is geen sprake. Ook de inhoud van het persbericht is geen grond voor strafmatiging.
De redelijke termijn
De verdachte is 11 april 2024 in verzekering gesteld. De rechtbank doet na meer dan 27 maanden uitspraak. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is daarom overschreden met meer dan drie maanden. Nu de rechtbank een taakstraf van minder dan honderd uren oplegt, zal zij volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. o.a. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
20 (TWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
10 (TIEN) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.