ECLI:NL:RBDHA:2026:20221
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel
Eiser heeft op 17 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft een informatieverzoek ingediend bij Zwitserland en België, waardoor de beslistermijn later is gestart. De rechtbank constateert dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist en dat een geldige ingebrekestelling is ontvangen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is en vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit. Vanwege de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact stelt de rechtbank kortere beslistermijnen vast: eerst acht weken om eiser te horen, daarna vier weken om te beslissen, met een maximum van twaalf weken na bekendmaking van de uitspraak.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van €50 per dag met een maximum van €15.000 voor het geval verweerder de termijn overschrijdt. Verweerder wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van €467. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag verblijfsvergunning asiel is gegrond verklaard en een nieuwe beslistermijn opgelegd.