ECLI:NL:RBDHA:2026:20213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29164
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 84 Asiel- en migratiebeheerverordeningDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, waaronder de stelling van eiser dat hij vanwege ernstige psychische en lichamelijke problemen als kwetsbaar moet worden aangemerkt en dat overdracht aan Duitsland zijn gezondheid zou verslechteren. Eiser verwees naar zijn verklaringen in het aanmeldgehoor, het arrest Tarakhel en het arrest C.K., en stelde dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader medisch onderzoek te laten verrichten en niet te reageren op zijn verzoek om uitstel.

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve gegevens en dat er geen aanwijzingen zijn dat de minister gehouden was een advies van Bureau Medische Advisering aan te vragen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zou leiden. De minister mocht vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland. Het verzoek om uitstel is door de minister in het besluit meegenomen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026. [2]
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
6. Eiser voert aan dat hij ernstige psychische en lichamelijke problemen heeft waardoor hij als kwetsbaar moet worden aangemerkt. Overdracht van eiser aan Duitsland zal een verslechtering van zijn medische situatie tot gevolg hebben en is daarom niet verantwoord. Volgens eiser heeft hij in het aanmeldgehoor overtuigend verklaard over zijn medische situatie en heeft de minister voorafgaand aan het bestreden besluit ten onrechte geen aanleiding gezien door middel van Bureau Medische Advisering (BMA) nader onderzoek te doen naar zijn medische situatie. Gelet op het voorgaande is het besluit volgens eiser onzorgvuldig tot stand gekomen. Ook doet eiser een beroep op de arresten Tarakhel [4] en C.K [5] .
Verder voert eiser aan dat hij in de zienswijze om uitstel heeft verzocht van veertien dagen om nadere stukken te overleggen ter onderbouwing van zijn medische situatie. Volgens eiser heeft de minister niet op dit verzoek gereageerd.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eiser is om bezwaren of bijzondere omstandigheden tegen de voorgenomen overdracht aan Duitsland naar voren te brengen. Van bezwaren, bijzondere omstandigheden of documenten over de medische situatie van eiser die de minister aanleiding hadden moeten geven voor nader onderzoek dan wel waaruit volgt dat overdracht aan Duitsland niet verantwoord is, is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft in zijn beroepschrift namelijk alleen gesteld dat hij als kwetsbaar moet worden aangemerkt en heeft in dat kader verwezen naar zijn verklaringen in het aanmeldgehoor en zijn zienswijze. Daarin is slechts gesteld dat het in de lijn der verwachting ligt dat bij eiser sprake is van bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen en dat die problemen volgens de gemachtigde van eiser niet onaannemelijk zijn, omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard over (geïnfecteerde) verwondingen aan zijn been. Deze stellingen zijn echter niet verder onderbouwd. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Het betoog van eiser dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen volgt de rechtbank dan ook niet.
6.2.
Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Tarakhel [6] , oordeelt de rechtbank als volgt. In het arrest Tarakhel heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. [7] De rechtbank oordeelt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Eiser heeft niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Duitsland.
6.3.
Eiser doet verder nog een beroep op het arrest C.K. [8] Eiser wijst in dit verband op zijn psychische en lichamelijke problemen en dat overdracht aan Duitsland een verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Bovendien mag de minister er in beginsel op vertrouwen dat als Duitsland ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen, zij haar internationale verplichtingen zal nakomen. Duitsland is namelijk gebonden aan dezelfde internationale verplichtingen als Nederland en er is geen reden om aan te nemen dat Duitsland zich daar niet aan zal houden. De beroepsgrond slaagt niet.
6.4.
Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat aan zijn verzoek om uitstel door de minister geen gehoor is gegeven. Eiser heeft in zijn zienswijze van 4 mei 2026 om uitstel van veertien dagen verzocht. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister hiermee rekening heeft gehouden door na het verstrijken van deze termijn, te weten 20 mei 2026, te beslissen op de aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd
7. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan hiervoor al besproken, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 84 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
4.Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.
6.Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.