ECLI:NL:RBDHA:2026:20200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23178
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVerordening (EU) 2024/1351Verordening (EU) nr. 604/2013Artikel 84 lid 2 AMB-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende vergewisplicht minister

Eiser, een asielzoeker van Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister niet had voldaan aan zijn vergewisplicht om te onderzoeken of de overdracht naar Spanje niet zou leiden tot onevenredige hardheid.

De rechtbank stelde vast dat Spanje het verzoek tot overname had geaccepteerd en dat eerdere voorlopige voorzieningen de overdracht hadden geschorst. Medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) en aanvullende informatie van de behandelaar van eiser toonden aan dat de psychische toestand van eiser ernstig was en dat een overdracht aanzienlijke risico's op terugval en suïcide met zich meebracht. De minister had onvoldoende navraag gedaan naar de ernst van de situatie en had de gerezen twijfel niet deugdelijk weggenomen.

De rechtbank concludeerde dat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk had gemotiveerd en dat de vergewisplicht niet was nagekomen. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd wegens onvoldoende vergewisplicht en onvoldoende motivering omtrent de overdracht naar Spanje.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser,
mr. G.M. Bouius als waarnemer voor de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de
asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft
aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht en daarmee ook niet deugdelijk gemotiveerd dat overdracht van eiser naar Spanje niet van onevenredige hardheid getuigt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. [2]
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek. Verder is niet in geschil dat Spanje het verzoek op 8 november 2024 alsnog heeft geaccepteerd.
4.2.
Verder stelt de rechtbank vast dat de voorzieningenrechter op 9 december 2024 de voorlopige voorziening hangende het vorige beroep van eiser heeft toegewezen. [3] De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat is beslist op het beroep. De rechtbank heeft vervolgens op 23 januari 2026 uitspraak gedaan op het beroep van eiser, het beroep gegrond verklaard en het aldaar bestreden besluit vernietigd. [4] Dit betekent dat vanaf 23 januari 2026 de overdrachtstermijn opnieuw is gaan lopen.
4.3.
De minister heeft het BMA [5] verzocht een nieuw medisch advies uit te brengen. Op 21 april 2026 heeft het BMA een nieuw advies uitgebracht. In het advies concludeert het BMA dat eiser onder behandeling staat bij de GGZ [6] en dat er geen sprake meer is van suïcidaliteit. Een fysieke overdracht wordt daarom niet meer noodzakelijk geacht, maar er worden wel enige medische voorzieningen door anderen noodzakelijk geacht, zoals een fit-to-fly keuring en het meereizen van een psychiatrisch verpleegkundige. De minister heeft vervolgens op 23 april 2026 een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser genomen.
4.4.
Eiser heeft op 9 juli 2026 aanvullende informatie overgelegd van zijn behandelaar. De minister heeft hierop het BMA verzocht een aanvullend advies uit te brengen. Het BMA heeft op 15 juli 2026 een aanvullend advies uitgebracht waarbij zij het advies van 21 april 2026 heeft gewijzigd in die zin dat gelet op de kwetsbare psychische toestand van eiser en het belang van de continuïteit van de psychiatrische behandeling, een fysieke overdracht aan een psychiater alsnog aangewezen wordt geacht.
Herhaling zienswijze en verwijzing naar alles wat hiervoor naar voren is gebracht
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze en alles wat hiervoor naar voren is gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Heeft de minister voldaan aan de voorwaarden van het arrest C.K.?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd om iedere ernstige twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het Handvest [7] als gevolg van overdracht weg te nemen. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling [8] van 18 juli 2025, [9] volgt uit het arrest C.K. [10] dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen.
6.1.
Dat de minister, volgens de Afdeling, om gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het Handvest weg te nemen, ‘in beginsel’ kan volstaan met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, betekent niet dat de minister daarmee in alle gevallen kan volstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van feiten en omstandigheden die maken dat de vergewisplicht meer dan dat vereist. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat eiser terecht stelt dat het op de weg van de minister had gelegen om, naar aanleiding van het BMA-advies van 21 april 2026, verduidelijking te vragen bij de behandelaar van eiser. Uit de door de gemachtigde van eiser gevraagde verduidelijking bij de behandelaar blijkt een ernstiger situatie, die uiteindelijk heeft geleid tot een aanzienlijke aanpassing van het BMA-advies.
6.2.
Daarnaast vindt de rechtbank van belang dat uit de overgelegde informatie van 9 juli 2026 van de behandelaar volgt dat met het risico op terugval wordt bedoeld dat verwacht kan worden dat gedwongen overbrenging, met onderbreking van behandeling, zal leiden tot ernstige psychische ontregeling; dat de bereikte verbetering, waardoor er geen suïcidale gedachten meer zijn, verklaard kan worden door de opgebouwde behandelrelatie; dat gedwongen overdracht een aanzienlijk risico op terugval zal geven en de behandelaar heeft hierbij benoemd wat dit kan inhouden; en dat er een reële kans is dat die ontregeling leidt tot blijvende en mogelijk onomkeerbare verslechtering met in het ernstigste geval fatale gevolgen. De rechtbank overweegt verder dat het BMA-advies daar alleen in algemene zin tegenover stelt dat ‘uit de thans beschikbare medische gegevens (…) geen concrete medische aanwijzingen’ blijken voor de geschetste ernstige scenario’s en dat de medische voorgeschiedenis daar ook geen aanknopingspunten voor biedt. Eiser is niet eerder psychotisch geweest, of ernstig depressief etc. De rechtbank overweegt dat dit geen afdoende weerlegging is van hetgeen de behandelend psychiater schrijft, met name niet op het punt van de betekenis van de opgebouwde behandelrelatie en het risico op blijvende en onomkeerbare verslechtering.
6.3.
De rechtbank begrijpt uit de informatie van de behandelend psychiater dat de psychische klachten van eiser ernstig zijn en dat de risico’s voor het ontstaan van een acute medische noodsituatie - waaronder het risico op suïcide - voorafgaand aan, tijdens, en na overdracht aan Spanje, hoog zijn. Duidelijk is ook dat de opgebouwde vertrouwensband met de behandelaar als beschermende factor werkt om suïcide te voorkomen. Het nakomen door de minister van de reisvereisten die door BMA zijn geadviseerd, neemt voor de rechtbank in dit geval niet de twijfel weg dat overdracht van eiser naar Spanje zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de psychische gesteldheid van eiser. Ook suïcide is een onomkeerbaar gevolg waarmee in dit geval ernstig rekening moet worden gehouden.
6.4.
Op grond van bovenstaande concludeert de rechtbank dat de minister in dit geval niet (volledig) heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en daarmee ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat overdracht van eiser naar Spanje niet van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb [11] dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De gemachtigde van eiser heeft namelijk een beroepschrift ingediend en een waarnemer van de gemachtigde van eiser heeft aan de zitting deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.23179.
2.Artikel 84 lid 2 van Pro de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).
3.NL24.42501.
4.NL24.42500.
5.Bureau Medische advisering.
6.Geestelijke gezondheidszorg.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.ECLI:EU:C:2017:127.
11.Algemene wet bestuursrecht.