Uitspraak
1.ECLI:NL:RBDHA:2025:15599.
4.ECLI:NL:RVS:2021:774.
Kamerstukken II2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 & 47.
- Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
- Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
- Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden9 is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
- Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiser af te nemen en binnen twee weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.