ECLI:NL:RBDHA:2026:20129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArtikel 31 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met aangepaste beslistermijn en dwangsom

Eiser diende op 13 mei 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 3 juni 2024. De rechtbank stelde eerder een beslistermijn van zestien weken, die door de minister niet werd nageleefd. Hoewel normaal een ingebrekestelling vereist is, is deze in dit geval niet nodig vanwege de eerdere rechterlijke termijnstelling.

De minister verzocht om aanhouding van het beroep vanwege lopende afspraken met Griekenland over terugkeer en opvang, maar de rechtbank wees dit af wegens het ontbreken van concrete termijnen. De rechtbank verliet het eerdere 8+8-wekenmodel voor nadere beslistermijnen vanwege het nieuwe Asiel- en Migratiepact en stelde een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en twee weken voor het nemen van een besluit.

De rechtbank legde een dwangsom van €50 per dag op met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn en veroordeelde de minister tot betaling van €467 aan proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 20 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de minister krijgt een nieuwe beslistermijn van zes weken en een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26911
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: A. Salim).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 13 mei 2026 heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 augustus 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen zestien weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag van eiser van 3 juni 2024 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.
De minister heeft op 25 juni 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Eiser heeft op 30 juni 2026 een reactie gegeven op het verweerschrift.
Overwegingen
De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.2
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:15599.

2 Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 12 augustus 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Tot voor kort hanteerde de rechtbank bij het bepalen van een nadere beslistermijn het zogeheten 8+8-wekenmodel.6
6. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het AMP en de nieuwe Procedureverordening is de voornemenprocedure komen te vervallen.7 Het vervallen van de voornemenprocedure strekt ertoe de asielprocedure te vereenvoudigen en, mede gelet op de verkorte beslistermijnen uit de Procedureverordening, de besluitvorming te versnellen.8
7. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het op dit moment niet mogelijk is om aan te geven wanneer op de aanvraag van eiser zal worden beslist. Eiser is namelijk een verblijfsvergunning in Griekenland. Asielaanvragen van dergelijke vreemdelingen worden volgens de minister tijdelijk niet inhoudelijk behandeld in afwachting van afspraken van de minister met de Griekse autoriteiten over de terugkeer naar en opvang in Griekenland van deze categorie van vreemdelingen. De minister vraagt de rechtbank daarom primair het beroep aan te houden. Subsidiair verzoekt de minister de rechtbank een maatwerkvoorziening te treffen, waarbij de nader op te leggen beslistermijn ingaat vanaf het moment dat er afspraken zijn gemaakt met Griekenland en de minister weer de mogelijkheid heeft een zorgvuldig besluit te nemen.
8. De rechtbank ziet in het betoog van de minister geen aanleiding om het beroep aan te houden. De aard van een beroep tegen het niet tijdig beslissen leent zich in beginsel niet voor aanhouding van dat beroep. Daarbij komt dat de minister niet (bij benadering) heeft kunnen aangegeven op welke termijn de beoogde afspraken met de Griekse autoriteiten zullen worden gemaakt en wat derhalve in deze zaak een realistische beslistermijn zou zijn.
9. De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten. Als uitgangspunt zal de rechtbank voortaan de volgende nadere beslistermijnen hanteren:

4.ECLI:NL:RVS:2021:774.

5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
7 Stb. 2026, 127.
8
Kamerstukken II2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 & 47.
  • Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
  • Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
  • Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden9 is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
  • Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
10. In de onderhavige zaak is de uiterste beslistermijn van 21 maanden overschreden én het betreft een opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekendmaken.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

11. De rechtbank verlaat de lijn waarbij in de regel een dwangsom van € 100,- per dag werd verbonden voor elke dag waarmee de minister de nadere beslistermijn overschrijdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de nieuwe aanbeveling die in dit verband geldt. 10 De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder
9 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
10 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiser af te nemen en binnen twee weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.