ECLI:NL:RBDHA:2026:20096

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.55663
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 32 VisumcodeArt. 14 VisumcodeVerordening (EG) Nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband en geringe sociale binding

Eiseres, met de Sierra Leoonse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar referent in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de familieband en twijfel over het vertrek na het verblijf.

Eiseres maakte bezwaar, dat werd afgewezen zonder haar te horen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk achtte, omdat geen objectieve bewijsstukken de familieband met de referent bevestigen. Het eerdere gehoor waarin de referent verklaarde geen kinderen te hebben, werd niet doorslaggevend geacht.

Hoewel verweerder onvoldoende motiveerde waarom de sociale binding gering zou zijn, passeerde de rechtbank dit motiveringsgebrek omdat het primaire bezwaar gegrond bleef. Het beroep werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard ondanks een motiveringsgebrek over sociale binding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55663

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige zoon:
[minderjarige]
V-nummer: [V-nummer 2] ,
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Hambarsumian).

Procesverloop

Met het besluit van 21 februari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor afgifte van een visum voor kort verblijf bij [referent] (referent) afgewezen.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 18 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Referent is verschenen en bijgestaan door zijn [tolk] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996. Zij heeft verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf voor een bezoek aan [referent] , van 8 april 2025 tot 23 mei 2025.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de visumaanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat zij niet door verweerder is gehoord over haar bezwaar. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf (familiebezoek) niet heeft aangetoond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiseres overgelegde verklaring van het Sierra Leoonse ministerie van Sociale Zaken niet bewijst eiseres de dochter is van referent. Daarbij heeft verweerder betrokken dat referent tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard geen kinderen te hebben. Nu ook in bezwaar geen objectieve documenten zijn overgelegd waaruit de gestelde familieband blijkt, heeft verweerder het reisdoel onvoldoende aannemelijk geacht. Daarnaast bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel of eiseres na afloop van de gestelde verblijfsduur het grondgebied van de lidstaten zal verlaten, omdat de sociale en economische binding van eiseres met Sierra Leone onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van de voorgenomen reis onvoldoende zijn aangetoond en dat onvoldoende is gewaarborgd dat zij het Schengengebied tijdig zal verlaten. Volgens eiseres is met de overgelegde verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten de familierechtelijke relatie met referent voldoende onderbouwd en kan aan een oud gehoor uit 2000, waarin referent zou hebben verklaard geen kinderen te hebben, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat dit gehoor feitelijke onjuistheden bevat. Verder stelt eiseres dat verweerder haar sociale binding met Sierra Leone heeft onderschat, omdat haar echtgenoot en twee minderjarige kinderen daar achterblijven. Ook voert zij aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar aanbod om aanvullende waarborgen te bieden, waaronder een meldplicht of financiële garantstelling. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, terwijl een hoorzitting de gelegenheid had geboden de familierelatie en haar sociale binding nader toe te lichten en aanvullende informatie te verstrekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode [1] wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
(…)
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
(…)
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
5. Op grond van artikel 14 van Pro de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Verweerder heeft veel beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. [2] De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing).
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Het is aan eiseres om de gestelde familieband met referent aannemelijk te maken. Verweerder heeft de door eiseres overgelegde verklaring onvoldoende mogen achten om de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent aan te tonen. Met die verklaring heeft eiseres toestemming om alleen met haar zoon naar Nederland te kunnen reizen. Daarin staat weliswaar dat het reisdoel is bezoek bij referent, als zijnde (groot)vader, maar onbekend is wat aan die vermelding ten grondslag ligt. Dat het gehoor van referent uit 2000 feitelijke onjuistheden bevat, maakt dit niet anders. Nog daargelaten welke betekenis aan dat gehoor toekomt, heeft eiseres ook in bezwaar geen objectieve documenten overgelegd waaruit de gestelde familieband blijkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Hoewel verweerder de visumaanvraag op grond van het voorgaande mocht afwijzen, bespreekt de rechtbank ook de overige beroepsgronden.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het aanbod om aanvullende waarborgen te bieden niet in de plaats kan treden van de voorwaarden voor visumverlening op grond van de Visumcode. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres slechts een geringe sociale binding met Sierra Leone heeft. Verweerder heeft daarbij onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat haar partner en twee minderjarige kinderen in Sierra Leone achterblijven. Dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij als enige de zorg voor haar kinderen draagt of dat de vader deze zorg niet tijdelijk kan overnemen, maakt niet zonder meer dat haar sociale binding met Sierra Leone gering is. Het bestreden besluit bevat in zoverre een motiveringsgebrek.
9. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [3] te passeren. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Dit vormt een zelfstandige grond voor de afwijzing van de visumaanvraag. Ook indien verweerder de sociale binding van eiseres met Sierra Leone deugdelijk had gemotiveerd, zou het bestreden besluit niet anders hebben geluid. Aannemelijk is dan ook dat eiseres door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Op grond van wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, was duidelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling [4] van 6 juli 2022. [5] Eiseres heeft immers ook in bezwaar geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit de gestelde familierechtelijke relatie met referent blijkt. Een hoorzitting had dit gebrek niet kunnen herstellen, omdat een mondelinge toelichting het ontbreken van objectieve bewijsstukken niet kan vervangen. Verweerder heeft daarom van het horen van eiseres mogen afzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Het beroep is ongegrond.
12. In het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.868,-. [6] Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van €194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) Nr. 810/2009.
2.Zie het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.