ECLI:NL:RBDHA:2026:20080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.12471
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 8 EVRMArt. 8:72 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf bij familielid bevestigd ondanks procedurefout

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij haar dochter in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie en bijkomende afhankelijkheid niet aannemelijk waren gemaakt. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelde dat eiseres voorafgaand aan het bestreden besluit niet in de gelegenheid was gesteld te reageren op een rapport van Bureau Documenten, wat een schending van artikel 7:9 Awb Pro opleverde. Daarom werd het besluit vernietigd. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de inhoudelijke gronden voor afwijzing gegrond bleven.

De rechtbank beoordeelde uitgebreid de vraag of er sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter, zoals emotionele, praktische en medische afhankelijkheid. Dit werd onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Ook de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro werd niet doorbroken.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor eiseres een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- toekomt. Deze vergoeding werd naar rato toegerekend aan verweerder en de Staat. Tot slot werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens procedurefout, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand; schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12471

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Houben).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de ten behoeve van eiseres ingediende aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Toch is het beroep gegrond, omdat eiseres voorafgaand aan het bestreden besluit niet in de gelegenheid is gesteld om een standpunt in te nemen over het rapport van Bureau Documenten van 7 maart 2024. In beroep is eiseres daartoe alsnog in de gelegenheid gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. Wel krijgt eiseres schadevergoeding omdat de bestuurlijke en rechterlijke fase te lang hebben geduurd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3. staan de relevante feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf onderdeel 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Ten behoeve van eiseres is een mvv aanvraag ingediend voor verblijf bij haar dochter [naam 1] (referente). Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere gronden van beroep ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1948 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Haar dochter (hierna: referente) verblijft sinds 2011 in Nederland. Op 3 augustus 2022 heeft referente een aanvraag ingediend om een mvv te verkrijgen in de procedure Toegang en Verblijf (TEV) ten behoeve van eiseres.
3.1.
Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet aannemelijk is gemaakt. Voor zover van een familierechtelijke relatie zou moeten worden uitgegaan, is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Verweerder stelt zich tevens op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse Staat bij de afwijzing van de aanvraag zwaarder wegen dan het belang van eiseres om verblijf in Nederland te krijgen. Artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) staat dus niet aan de afwijzing in de weg.
3.2.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat Bureau Documenten op 7 maart 2024 heeft geconcludeerd dat het door eiseres overgelegde geboortebewijs vals is en frauduleus is verkregen. Omdat de familierechtelijke relatie tussen referente en eiseres niet is aangetoond wordt geen familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en referente aangenomen. Ook verwijst verweerder in het bestreden besluit naar de in het primaire besluit gemaakte belangenafweging die als herhaald en ingelast wordt beschouwd.
3.3.
In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres wordt gevolgd in haar betoog dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen, omdat het bestreden besluit (mede) gebaseerd is op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 7 maart 2024 en eiseres vòòr het slaan van het bestreden besluit in de gelegenheid had moeten worden gesteld om hierop te reageren. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht waarom volgens hem geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij is onder meer ingegaan op het samenwonen, de praktische-, financiële- en emotionele afhankelijkheid, de medische klachten van eiseres en de banden van eiseres met haar land van herkomst.

Beoordeling door de rechtbank

4. Ter zitting heeft verweerder het standpunt laten vallen dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de naturalisatie van referente en de overgelegde geboortegegevens van referente. Verder zijn partijen het erover eens dat eiseres, voorafgaande aan het bestreden besluit, in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te reageren op het rapport van Bureau Documenten van 7 maart 2024. Gelet hierop en omdat de rechtbank geen aanleiding ziet om partijen hierin niet te volgen, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb.
5. De rechtbank zal hieronder de overige beroepsgronden bespreken en in het kader van finale geschillenbeslechting onderzoeken of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zij voert daartoe aan dat de situatie waarin zij zich bevindt, sinds het overlijden van haar echtgenoot in 2021 erg is verslechterd en dat zij er inmiddels geheel alleen voorstaat. Eiseres wordt steeds ouder en hulpbehoevender en voor een ziekenhuisafspraak kan zij uitsluitend een beroep doen op een nicht die op drie uur rijden woont. Dit beperkt haar zeer in haar mogelijkheden medische behandeling te ondergaan. Ook andere familieleden van eiseres in Nigeria wonen ver weg. Referente is het enige naaste familielid van eiseres. Ze hebben een sterke emotionele band met elkaar. Referente reist drie tot vier keer per jaar naar eiseres om haar te ondersteunen; de afstand bemoeilijkt de hulp die referente aan eiseres kan bieden.
6.1.
Op grond van vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 kan er familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid van het EVRM bestaan tussen meerderjarigen, als er tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in die beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Daarbij gaat het om elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst, voor zover die zijn aangevoerd, moeten in die beoordeling een rol spelen. Verder kan de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Verweerder mag daarbij een zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel het wel aannemelijk is dat de emotionele band tussen eiseres en referente de afgelopen jaren sterker is geworden vanwege het overlijden van zowel de echtgenoot als de zoon van eiseres en de grote afstand tussen Nigeria en Nederland, heeft verweerder in de emotionele band op zichzelf, ook in samenhang met de overige elementen, niet ten onrechte onvoldoende grond gezien om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiseres en referente inmiddels al (bijna) dertig jaar gescheiden leven. Verweerder heeft hierbij ook niet ten onrechte betrokken dat niet is gebleken dat de medische klachten van eiseres ernstig zijn en dat de praktische afhankelijkheid daardoor groot is. Met de afgelegde verklaringen en de overgelegde documenten is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres afhankelijk is van de zorg van referente. Uit de verklaringen van referente tijdens de hoorzitting en uit het stuk van Jos University Teaching Hospital van 28 maart 2023 blijkt wel van enige medische klachten, maar onduidelijk is hoe ernstig deze klachten zijn en in hoeverre eiseres daarvoor ondersteuning nodig heeft. Uit deze stukken blijkt in ieder geval niet dat eiseres in toenemende mate afhankelijk is van zorg en dat de situatie steeds zorgelijker wordt. Ook blijkt uit de verklaring van het Jos University Teaching Hospital en uit de brief van 30 maart 2023 van [naam 2] (de nicht van eiseres) bijvoorbeeld niet hoe vaak eiseres naar het ziekenhuis moet afreizen. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in de praktische afhankelijkheid en medische klachten van eiseres, ook in samenhang met de emotionele band, onvoldoende grond wordt gezien om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat eiseres in en om het huis hulp krijgt van twee ingehuurde krachten en dat haar nicht [naam 2] haar naar het ziekenhuis kan brengen. De stelling van eiseres dat dit geen ideale situatie is, omdat de ingehuurde krachten geen familie zijn en haar [naam 2] op grote afstand woont, begrijpt de rechtbank maar maakt de beoordeling niet anders. Het doet er namelijk niet aan af dat de medische situatie van eiseres niet duidelijk is geworden en niet is gebleken van een toegenomen ernst van de medische klachten. Verweerder heeft gelet op het voorgaande dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en eiseres en dat er dus geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De onder 6. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
De belangenafweging
7. De beroepsgrond van eiseres dat sprake is van een onevenwichtige belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, treft geen doel. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188) geoordeeld dat in zaken waarin geen familieleven wordt aangenomen, verweerder geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM hoeft te verrichten. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of de belangenafweging in het bestreden besluit deugdelijk heeft plaatsgevonden
.
Schadevergoeding
8. Eiseres heeft om schadevergoeding verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak (waaronder de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668) is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar). Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer relevant de complexiteit van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang.
8.2.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 16 februari 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiseres heeft ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn op 16 februari 2025 verliep. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met (afgerond naar boven) zeventien maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.000,-. Hierna bespreekt de rechtbank of dit kan worden toegerekend aan verweerder en/ of de Staat en zo ja, voor welk bedrag.
8.2.1.
De bestuurlijke fase heeft geduurd van 16 februari 2023 (ontvangst bezwaarschrift door verweerder) tot het bestreden besluit van 13 maart 2024. Dit is een periode van meer dan twaalf maanden. De bestuurlijke fase mag maximaal zes maanden duren. De redelijke behandelingsduur is in de bestuurlijke fase dus met (afgerond naar boven) zeven maanden overschreden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar niet aan hem kan worden toegerekend. Dit volgt de rechtbank niet. Anders dan verweerder betoogt, betekent de omstandigheid dat eiseres haar gronden van bezwaar eerst heeft ingediend nadat zij door verweerder in de gelegenheid was gesteld om het verzuim te herstellen, niet dat de duur van deze fase van de procedure is te wijten aan de proceshouding van eiseres. De reden hiervoor is dat eiseres daarmee slechts gebruik heeft gemaakt van de in artikel 6:6 van Pro de Awb geboden mogelijkheid om een verzuim binnen de daartoe gestelde termijn te herstellen (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6081). Ook in de andere door verweerder aangevoerde omstandigheden, namelijk dat eiseres op 14 maart 2023 een nadere onderbouwing heeft aangekondigd die pas op 31 mei 2023 is binnengekomen alsook dat eiseres tijdens het gehoor op 9 december 2023 nog vier extra weken kreeg voor het indiening van nadere stukken en dat eiseres op 22 december 2023 aangekondigde dat er bij de gemeente stukken waren opgevraagd die echter nooit zijn ingebracht, ziet de rechtbank geen reden om in dit geval aan te nemen dat sprake is van zodanige frustratie aan de kant van eiseres, dat een langere behandelduur van haar bezwaarschrift gerechtvaardigd was. De overschrijding van de behandelduur van zeven maanden in de bestuurlijke fase is daarom volledig toerekenbaar aan verweerder.
8.2.2.
De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit van 13 maart 2024 heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 20 maart 2024 tot de uitspraak op 2 juli 2026 (ruim) 27 maanden geduurd. Dit is (afgerond naar boven) tien maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld die een langere behandelduur kunnen rechtvaardigen. De overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden is dan ook volledig toerekenbaar aan de Staat.
8.3.
Het bedrag van € 2.000,- zal daarom naar evenredigheid worden toegerekend aan verweerder en de Staat. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 823,53 (7/17 x € 2.000,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 1.176,47 (10/17 x € 2.000,-).

Conclusie en gevolgen

9. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel krijgt eiseres een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen verweerder en de rechtbank hadden dienen te beslissen.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder hoeft geen griffierecht te vergoeden, omdat eiseres van het betalen daarvan is vrijgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 823,53;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.176,47;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.