ECLI:NL:RBDHA:2026:20036

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.60402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 21 VWEUArt. 45 VWEUArt. 8 EVRMRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsrecht als afgeleid recht voor partner van Unieburger wegens onvoldoende hoofdverblijf in andere lidstaat

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin haar bezwaar tegen de weigering van een verblijfsdocument als bewijs van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ongegrond werd verklaard. De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres en haar partner, een Nederlandse werknemer, samen gedurende ten minste drie maanden in een andere EU-lidstaat hebben verbleven en daar een gezinsleven hebben opgebouwd, zoals vereist voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU Pro en de Verblijfsrichtlijn.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een daadwerkelijke en reële verplaatsing van het hoofdverblijf naar België. De periodes dat de partner als schipper op een binnenvaartschip verblijft in België worden niet als hoofdverblijf aangemerkt, mede omdat het centrum van zijn belangen in Nederland ligt, waar hij ook staat ingeschreven. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het duurvereiste van drie maanden verblijf in een andere lidstaat geen ontmoedigende voorwaarde is, maar een afbakening tussen kort en langdurig verblijf.

Verder is vastgesteld dat de aanwezigheid van eiseres niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer van haar partner. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro leidt tot de conclusie dat het algemene belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij verblijf. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een verblijfsdocument als bewijs van rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D.O. Wernsing),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 november 2025 (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eiseres tegen de weigering van een verblijfsdocument als bewijs van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ongegrond is verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen referent, [referent] (hierna: referent).

Overwegingen

Feiten
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Op 18 september 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument als bewijs van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (de aanvraag). Eiseres beoogt verblijf bij haar partner en tevens referent, die de Nederlandse nationaliteit heeft.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 26 maart 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij en referent samen voor minstens drie aaneengesloten maanden in een andere Europese lidstaat hebben verbleven, [1] aldaar gezinsleven hebben opgebouwd en bestendigd en vervolgens naar Nederland zijn teruggekeerd. Verweerder volgt derhalve niet dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf. De periodes dat referent als schipper op een binnenvaartschip doorbrengt worden door verweerder niet gezien als verplaatsing van het hoofdverblijf, omdat in de periodes dat referent niet aan het werk, of aan boord van het schip is, het centrum van zijn belangen in Nederland ligt. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat referent kan worden aangemerkt als een dienstverlener in de zin van artikel 56 van Pro de VWEU. [2] Gelet op het door eiseres overgelegde arbeidscontract van referent, wordt referent aangemerkt als werknemer. [3] Zelfs indien door verweerder wordt aangenomen dat referent diensten verricht, is niet aannemelijk gemaakt waarom hij zal worden belemmerd in zijn vrij verkeer indien aan eiseres geen rechtmatig verblijf wordt toegekend. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [4] valt volgens verweerder uit in het nadeel van eiseres.
Het bestreden besluit
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 27 oktober 2025 is zij daarover gehoord door verweerder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder blijft bij zijn standpunten in bezwaar dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf of dat referent wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer indien aan eiseres geen rechtmatig verblijf wordt verleend. De relatie van eiseres en referent en dat zij samenwonen op het schip waarop referent werkt, zijn volgens verweerder geen bijzondere feiten en omstandigheden waaruit de noodzaak van de aanwezigheid van eiseres volgt voor de uitoefening van de werkzaamheden van referent. Verweerder betrekt hierbij dat referent ook alvorens de komst van eiseres naar Nederland gebruik maakte van zijn recht op vrij verkeer van werknemers. Verweerder blijft bij zijn standpunt in bezwaar dat het weigeren van de aanvraag van eiseres geen strijdigheid oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM.
De beroepsgronden
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat zij het verblijf van haar en referent in België niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. Eiseres verwijst naar het vaartijdenboek dat zij bij haar aanvraag heeft overgelegd, waarin de tijdsverdeling tussen het verblijf in Nederland en België is weergegeven. Anders dan verweerder stelt is niet de duur van de verplaatsing, maar de hoedanigheid waarin de Unieburger zich verplaatst relevant voor het oordeel of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6 of Pro artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. [5] Bij een verplaatsing als werknemer is vanaf het eerste moment sprake van een verplaatsing als bedoeld in artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Te meer indien de verplaatsing continu plaatsvindt en eiseres en referent gezamenlijk gezinsleven opbouwen [6] en bestendigen tijdens de verplaatsing op het binnenvaartschip. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest Banger. [7] Ook stelt zij zich op het standpunt dat een voorwaarde van drie maanden voorafgaand aan het toekennen van een afgeleid verblijfsrecht aan eiseres een afschrikwekkende werking heeft. Deze afschrikwekkende werking dient te worden voorkomen, zo volgt uit de arresten Eind [8] en Singh. [9] Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte gewezen op het arrest Dereci, [10] waarin werd getoetst of het grondgebied van de Unie moet worden verlaten. Het gaat er echter om of afbreuk wordt gedaan aan de uitoefening van de rechten van referent op grond van artikel 45 van Pro de VWEU indien aan eiseres geen afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend. De weigering van een verblijfsrecht aan eiseres betekent in dit geval dat referent niet meer op de benodigde momenten in de buurt van het binnenvaartschip kan verblijven en dwingt hem om te stoppen met de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer. Ten aanzien van artikel 8 van Pro het EVRM verwijst eiseres naar de gronden van het bezwaarschrift en verzoekt deze als herhaald en ingelast te beschouwen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Het duurvereiste
5. De Afdeling [11] heeft bij verwijzingsuitspraak van 5 oktober 2012 [12] prejudiciële vragen gesteld over het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht voor derdelander gezinsleden van Unieburgers onder de Verblijfsrichtlijn en artikel 21, eerste lid, van de VWEU. In het arrest O&B van 12 maart 2014 wordt door het Hof van Justitie van de Europese Unie uitleg gegeven aan artikel 21, eerste lid, van de VWEU. [13] De Afdeling heeft naar aanleiding van dit arrest uitspraak gedaan in de desbetreffende zaken. [14] De Afdeling leidt uit het arrest O&B af dat een verblijf van een Unieburger en zijn derdelander gezinslid van minder dan drie maanden in een gastlidstaat in geen geval voldoende is voor dit gezinslid om, bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit, aanspraak te kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21, eerste lid, van de VWEU. [15]
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 21 van Pro de VWEU en niet onder het toepassingsbereik van artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn valt. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het arrest O&B en de uitspraken van de Afdeling volgt dat de drie maanden aaneengesloten verblijf in een andere EU-lidstaat als criterium wordt gehanteerd om aanspraak te kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van Pro de VWEU en artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Verweerder stelt hierbij voldoende gemotiveerd dat uit de Verblijfsrichtlijn en de uitleg die door de hiervoor genoemde arresten daarover wordt gegeven, volgt dat er een onderscheid is tussen kort verblijf als bedoeld in artikel 6, die is gemaximeerd op drie maanden, en verblijf voor langer dan drie maanden als bedoeld in artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Verweerder overweegt terecht dat het arrest O&B bepaalt dat het verblijf van een Unieburger en zijn derdelandergezinslid van minder dan drie maanden in de gastlidstaat in geen geval voldoende is om bij terugkeer naar de lidstaat van de Unieburger aanspraak te maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van Pro de VWEU.
Afschrikkende werking van het duurvereiste
Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het duurvereiste geen afschrikkende werking heeft op het vrij verkeer van Unieburgers. [16] Verweerder stelt hiertoe terecht dat de eis dat sprake moet zijn van verblijf dat binnen de reikwijdte van artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn valt, geen ontmoedigende voorwaarde vormt voor de uitoefening van vrij verkeer, maar dat dit slechts een afbakening betreft tussen het kort verblijf als bedoeld in artikel 6 en Pro het daadwerkelijke reële verblijf in de zin van artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn.
Het hoofdverblijf
7. Eiseres en referent hebben verklaard dat referent werkzaam is als schipper en dat zij daarom om de twee weken voor een periode van twee weken op het schip in België verblijven waarop eiser werkzaam is. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en in het verweerschrift voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het feitelijk hoofdverblijf van referent zich niet (op het schip) in België bevindt, maar in Nederland. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat de belangen van referent zich in Nederland bevinden, waar hij ook een huis heeft en dat referent in Nederland staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de periodes aan boord van het schip in België niet worden aangemerkt als een daadwerkelijke verplaatsing van het hoofdverblijf. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat gelet op het bovenstaande het verblijf van eiseres en referent op het schip niet duidt op een daadwerkelijke en reële vestiging in België. Dat de situatie van referent als bijzonder moet worden gezien, omdat hij al zijn hele leven aan boord van een schip woont en werkt, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om te kunnen spreken van een daadwerkelijke verplaatsing van het hoofdverblijf.
Carpenter arrest en artikel 45 van Pro de VWEU
8. Uit het arrest Carpenter volgt dat het voor de nuttige werking van het vrij verkeer van werknemers nodig kan zijn dat een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend aan een derdelander familielid van de betrokken werknemer, indien de weigering daarvan afbreuk kan doen aan het recht op vrij verkeer van de betrokken Unieburger.
9. Niet is in geschil dat referent wordt aangemerkt als een werknemer in de zin van het Unierecht. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het weigeren van haar verblijf in Nederland een belemmering vormt voor het uitoefenen van het recht van referent op vrij verkeer. Eiseres en referent hebben niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van eiseres noodzakelijk is voor het door referent verrichten van zijn werkzaamheden in België. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat ook alvorens de komst van eiseres naar Nederland door referent gebruik werd gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de relatie en het samenwonen van eiseres en referent niet wordt aangemerkt als een bijzondere omstandigheid waaruit blijkt dat de aanwezigheid van eiseres noodzakelijk is voor de uitoefening van de rechten van referent als Unieburger.
Artikel 8 van Pro het EVRM
10. In artikel 8 van Pro het EVRM staat dat iedereen recht heeft op respect voor zijn familie- en privéleven. De aanwezigheid van privé- of gezinsleven leidt niet zonder meer tot een verplichting om een verblijfsvergunning te verlenen. Die verplichting ontstaat pas wanneer de belangen van een vreemdeling zwaarder wegen dan het algemene belang van Nederland. Verweerder moet een evenwichtige afweging maken van deze belangen, waarbij hij alle relevante aspecten moet meewegen. Daarbij heeft hij wel een beoordelingsmarge. Om die reden toetst de rechtbank de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend. Wel toetst de rechtbank zonder terughoudendheid of alle relevante aspecten zijn meegenomen in de beoordeling.
11. Verweerder heeft geoordeeld dat de weigering om aan eiseres verblijf toe te staan niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij is verweerder uitgegaan van het bestaan van gezinsleven tussen eiseres en referent. Ook heeft verweerder het economisch belang en de financiële middelen van referent en eiseres betrokken. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiseres in enige mate privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt die in het nadeel van eiseres uitvalt. Daarbij is de duur van haar relatie met referent en de duur van het samenwonen in het nadeel van eiseres meegewogen, omdat zij nog niet langdurig invulling hebben gegeven aan hun gezinsleven. Ook is in het nadeel van eiseres meegewogen dat zij het gezinsleven heeft opgestart toen zij geen rechtmatig verblijf had, zodat er niet op kon worden vertrouwd dat zij met het oog op gezinsleven in Nederland mocht verblijven. Verweerder betrekt verder dat hoewel eiseres een zorgverzekering kan afsluiten, zorgkosten grotendeels een beroep doen op de algemene middelen. Verweerder weegt in het nadeel van eiseres mee dat zij nog niet eerder een verblijfsrecht heeft gekregen. Niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres of referent om in Colombia te wonen of andere omstandigheden die dit onevenredig maken. De banden van eiseres met Colombia worden door verweerder sterker geacht dan haar banden met Nederland, omdat zij in Colombia familieleden heeft wonen en daar het grootste gedeelte van haar leven heeft gewoond. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de gestelde vrees van eiseres bij terugkeer naar Colombia thuishoort in een asielprocedure en dat ook indien eiseres geen contact meer heeft met haar familie in Colombia, zij daar opnieuw een leven kan opbouwen. Verder heeft eiseres niet aangetoond dat referent niet in een ander land zou kunnen wonen of werken dan Nederland. Voor zover referent mogelijk zijn beroep als binnenvaartschipper dan niet kan uitvoeren, heeft verweerder kunnen overwegen dat ook andere Nederlanders met een baan in Nederland aan dit land zijn gebonden en dat voor referent de mogelijkheid bestaat om in Colombia ander werk te verrichten. Ten aanzien van de binding van referent met Nederland in verband met zijn taken als bewindvoerder en mentor van zijn zus heeft verweerder kunnen overwegen dat hij deze op afstand kan verrichten, omdat hij dit ook gedurende zijn werkperiode aan boord op het schip doet. Daarnaast heeft verweerder kunnen overwegen dat hulp kan worden ingeschakeld van andere naasten of een professional. Hiermee heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken. In de op basis daarvan uitgevoerde belangenafweging heeft verweerder het belang van eiseres om gezins- of privéleven in Nederland uit te oefenen minder zwaar kunnen laten wegen dan het algemeen belang van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

Conclusie

12. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 7 van Pro de Richtlijn 2004/38/EG.
2.Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
3.in de zin van artikel 45 van Pro de VWEU
4.Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Richtlijn 2004/38/EG.
6.Zoals bedoeld in rechtsoverweging 53 van het arrest O&B (C-456/12, ECLI:EU:C:2014:135).
7.C-89/17.
8.C-291/05.
9.C-370/90.
10.C 256/11.
11.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.C-456/12.
15.De Afdeling verwijst naar rechtsoverwegingen 52 en 59 van het arrest O&B.
16.Zoals bedoeld in het arrest Singh en het arrest Eind.