ECLI:NL:RBDHA:2026:1988

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.23512
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking vreemdelingenbesluit

Verzoeker werd bij besluit van 19 mei 2025 verplicht Nederland en het EU-gebied te verlaten en terug te keren naar Servië. Tegen dit besluit stelde verzoeker op 23 mei 2025 beroep in. De minister van Asiel en Migratie trok het besluit op 30 september 2025 in en bood uit eigen beweging aan de proceskosten te vergoeden. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om veroordeling van de minister tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 8:75a van de Awb, in combinatie met vaste jurisprudentie, het aanbod van de minister inhoudt dat deze aan verzoeker is tegemoetgekomen. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.

De proceskosten werden vastgesteld op € 934, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepsmatige rechtsbijstand. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 194 te vergoeden, waarvoor verzoeker zich rechtstreeks tot de minister moet wenden.

De uitspraak werd gedaan door rechter E.F. Bethlehem op 5 februari 2026 en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker na intrekking van het vreemdelingenbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23512

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) is bepaald dat verzoeker binnen een termijn van vier weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland dient te verlaten en moet terugkeren naar Servië.
Verzoeker heeft op 23 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 30 september 2025 meegedeeld dat hij het bestreden besluit intrekt en dat hij bereid is de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken en uit eigen beweging een aanbod tot proceskostenvergoeding heeft gedaan, mag op grond van vaste jurisprudentie worden aangenomen dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen. [4]
3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt dan ook als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 1.0).
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7551.