ECLI:NL:RBDHA:2026:19763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19579 en NL26.19580
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk niet langer geldt vanwege structurele tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem, onderbouwd met het AIDA-rapport 2024 en jurisprudentie. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet werd toegepast en dat er geen individuele medische risicoanalyse was verricht.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het persoonlijke relaas van eiser was onvoldoende onderbouwd en hij voldeed niet aan de criteria van bijzondere kwetsbaarheid zoals in het Tarakhel-arrest. Ook het beroep op artikel 32 Dublinverordening Pro faalde wegens gebrek aan concretisering en bewijs van medische omstandigheden.

De rechtbank stelde dat verweerder geen aanleiding had om artikel 17 toe Pro te passen of nader onderzoek te verrichten. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak was afgedaan en er geen connexiteit meer bestond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19579 en NL26.19580
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1992 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn van de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Uit het AIDA-rapport (2024 update) blijkt volgens eiser namelijk dat er in Frankrijk structurele tekortkomingen zijn bij Dublin-terugkeerders. Eiser verwijst hiervoor ook naar een uitspraak van een Duitse rechtbank. [2] Ook is eiser bijzonder kwetsbaar in de zin van het Tarakhel-arrest [3] . Verder heeft verweerder ten onrechte geen individuele medische risicoanalyse verricht. [4] Ten tweede voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Ten slotte had verweerder gelet de arresten C.K. [5] en Tarakhel medisch onderzoek moeten doen, BMA-advies op moeten vragen, om individuele garanties moeten vragen en de opvangcapaciteit moeten verifiëren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiser bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [6] of artikel 4 van Pro het Handvest. [7] De tekortkomingen moeten een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat voor Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De hoogste bestuursrechter [8] heeft in de uitspraak van 11 april 2025 [9] geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 31 juli 2025 [10] heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst dan volgt uit de landeninformatie die de Afdeling eerder heeft betrokken. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen.
7. Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft zijn stelling dat hij eerder in Frankrijk dakloos is geweest namelijk niet met documenten onderbouwd. Eiser heeft hiermee ook niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het Tarakhel-arrest. Daarnaast kan eisers beroep op artikel 32 van Pro de Dublinverordening niet slagen, omdat eiser zijn medische omstandigheden niet heeft geconcretiseerd of met stukken heeft onderbouwd. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder als voorwaarde stelt dat eiser klaagt bij de Franse autoriteiten. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen, mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen met de Franse asielprocedure, opvang, of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Franse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat eisers overdracht aan Frankrijk van een zodanig onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn eerdere ervaringen in Frankrijk niet onderbouwd en zijn ervaringen zijn bovendien al betrokken in het kader van de vraag of er voor Frankrijk nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
8.1.
Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K., slaagt dit beroep niet. Uit het arrest C.K volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich kan brengen als de overdracht van een vreemdeling die psychische of lichamelijke beperkingen heeft een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is van een situatie zoals in het arrest C.K. niet gebleken. Eiser heeft namelijk in beroep voor het eerst de verplichtingen van verweerder met betrekking tot medische omstandigheden benadrukt, maar hij heeft zijn medische omstandigheden niet geconcretiseerd of met stukken onderbouwd.
Nader onderzoek
9. Nu verweerder ten aanzien van Frankrijk uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, heeft verweerder ook geen nader onderzoek hoeven doen.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van Verwaltungsgericht Hannover van 14 januari 2025, 15 A 4188/24.
3.Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
4.In strijd met artikel 32 van Pro de Dublinverordening.
5.Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017 (C.K. tegen Slovenië), ECLI:EU:C:2017:127.
6.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
9.Uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
10.Uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.