ECLI:NL:RBDHA:2026:19749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/6357
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.3 WooArt. 8:29 AwbArt. 8:64 lid 5 AwbArt. 8:72 derde lid Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaarmakingsverzoek op grond van de Wet open overheid afgewezen met motiveringsplicht en privacybescherming

Eisers hebben een openbaarmakingsverzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) met betrekking tot documenten over de grond onder de serre van een hotel. Verweerder heeft aanvankelijk geweigerd de documenten openbaar te maken, waarna na bezwaar en beroep meerdere besluiten volgden waarin deels documenten werden vrijgegeven en een nieuwe zoekslag werd verricht.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in de eerste besluiten niet voldeed aan de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 Woo en dat de zoekslag te beperkt was. Met het aanvullend besluit van 18 december 2025 heeft verweerder deze gebreken hersteld door alle documenten opnieuw te beoordelen en een bredere zoekterm te hanteren.

De rechtbank toetst de weigering van openbaarmaking op grond van bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het goed functioneren van de gemeente. Zij acht het terecht dat persoonsgegevens zoals namen, telefoonnummers en functienamen zijn weggelakt en dat vertrouwelijke juridische adviezen niet openbaar zijn gemaakt.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege motiveringsgebreken, maar laat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand omdat deze inmiddels zijn hersteld. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter D.C. Laagland op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebreken, maar de rechtsgevolgen van de besluiten blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1] B.V, uit [plaats] ,

B.V. [eiseres 2], uit [plaats] ,
[eiseres 3] B.V., uit [plaats] ,
tezamen te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. I.R. Köhne),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr.drs. W.M. Logtenberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de wijze van afdoening van hun openbaarmakingsverzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 31 oktober 2022 besloten de gevraagde documenten niet openbaar te maken. Met het bestreden besluit I van 27 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, een aantal documenten deels openbaar gemaakt en aangegeven alsnog een zoekslag uit te zullen voeren.
1.2.
Eisers zijn tegen dit besluit in beroep gegaan.
1.3.
Met het bestreden besluit II van 3 maart 2025 heeft verweerder een zoekslag uitgevoerd naar documenten in de periode van 19 mei 2019 en 22 september 2022 en aanvullende documenten (deels) openbaar gemaakt. [1]
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld een aanvullend besluit te nemen.
1.6.
Met het bestreden besluit III van 18 december 2025 heeft verweerder een nader besluit genomen en aanvullende documenten deels openbaar gemaakt. Na schriftelijke reacties over en weer heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en met toestemming van partijen uitspraak gedaan zonder nadere zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers hebben op 22 september 2022 een openbaarmakingsverzoek op grond van de Woo ingediend. Zij hebben verzocht om alle kopieën van (interne en externe) documenten, (interne en externe) e-mails, gespreksverslagen, notulen van vergaderingen en overige (interne en externe) stukken/bescheiden/documenten die betrekking hebben op (de grond onder) de serre van [hotel] , [adres] , waaronder – maar niet beperkt tot – de documenten zoals genoemd op de inventarislijst met nummers 8, 9, 10, 12, 41, 42, 51 tot en met 84, 87, 89 tot en met 125 en 137 die betrekking hebben op (de grond onder) de serre van [hotel] . Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eisers afgewezen en de gevraagde documenten niet openbaar gemaakt.
Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, omdat de zoekslag niet mocht worden beperkt tot de periode tot 14 mei 2019. Gelet op de datum van het Woo-verzoek van 22 september 2022 moet de zoekslag worden verricht over de periode van 14 mei 2019 tot en met 22 september 2022.
Na een nieuwe zoekslag zijn er 23 documenten aangetroffen die aan het verzoek van eisers voldoen. Met het bestreden besluit II van 3 maart 2025 heeft verweerder besloten de door eisers gevraagde documenten deels openbaar te maken.
Hangende de beroepsprocedure is een van de eisers overleden, [naam] . Omdat uit rechtspraak [3] volgt dat een beroepsprocedure waarin op grond van de Woo geen vermogensrechtelijke rechtsbetrekking betreft, kunnen de erfgenamen de procedure niet als rechtsopvolgers overnemen. De overige eisers hebben laten weten het beroep voort te zetten.
Tijdens de zitting van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en is verweerder in de gelegenheid gesteld om openbaarmaking van de documenten 8, 9, 10, 12, 41, 42, 51 t/m 84, 87, 89 t/m 125 en 137 te beoordelen met het toetsingskader van de Woo. Ook is afgesproken dat verweerder beziet welke documenten ten tijde van het te nemen van het aanvullende besluit ouder zijn dan vijf jaar en dat verweerder voor deze documenten de verzwaarde motiveringsplicht in acht zal nemen. Tot slot heeft verweerder toegezegd dat er een nieuwe zoekslag gemaakt zal worden met de zoekterm “ [naam] ”.
Met het bestreden besluit III van 18 december 2025 maakt verweerder naar aanleiding van de herbeoordeling onder de Woo 18 documenten deels openbaar gemaakt en beslist dat de overige documenten niet openbaar worden gemaakt. Daarnaast maakt verweerder zes documenten gedeeltelijk openbaar naar aanleiding van de nieuwe zoekslag met de zoekterm “ [naam] ”.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat eisers in 2019 eenzelfde openbaarmakingsverzoek bij verweerder hebben gedaan. Dat verzoek is destijds beoordeeld onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De hoogste bestuursrechter heeft op 8 april 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep in die procedure. [4]
Wat vinden eisers in beroep?
3. Kort samengevat vinden eisers in eerste instantie dat zij recht hebben op een volledig nieuwe zoekslag in het kader van de Woo, omdat onder de Woo andere criteria gelden. Zij verwijzen hierbij naar de vijfjaarstermijn met betrekking tot persoonlijke beleidsopvattingen. Er kan dan ook niet worden volstaan met een verwijzing naar de Wob-procedure. Dit geldt meer specifiek voor eiseres [eiseres 3] B.V., want deze heeft nog nooit eerder een Wob- dan wel Woo-verzoek ingediend.
Ten aanzien van bestreden besluit II verzoeken eisers de rechtbank om te beoordelen of verweerder terecht een beroep gedaan heeft op de ingeroepen uitzonderingsgronden en terecht heeft gesteld dat er passages zijn die buiten het bereik van het Woo-verzoek vallen. Daarbij vragen eisers bijzondere aandacht voor de uitzonderingsgrond “persoonlijke beleidsopvattingen”.
Naar aanleiding van het bestreden besluit III voeren eisers aan dat verweerder heeft nagelaten om van alle documenten na te gaan welke ouder zijn dan vijf jaar. Ten onrechte heeft verweerder dit beperkt tot de documenten met nummers 8, 9, 10, 12, 41, 42, 51 t/m 84, 87, 89 t/m 125 en 137. Daarnaast vinden eisers dat het openbaar maken van namen, e-mailadressen, telefoonnummers, handtekeningen en functienamen geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen en al helemaal niet meer na vijf jaar. Ook de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo is volgens eisers ten onrechte toegepast. Verweerder kan prima functioneren als de gevraagde informatie openbaar gemaakt wordt. Tot slot verzoeken eisers de rechtbank na te gaan of verweerder terecht stukken als buiten de reikwijdte heeft aangemerkt omdat deze zouden zien op het terras en niet over de (grond onder) de serre.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat op de zitting is gebleken dat eisers terecht beroep hebben ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Verweerder heeft immers in die besluiten nagelaten de documenten met nummers 8, 9, 10, 12, 41, 42, 51 t/m 84, 87, 89 t/m 125 en 137 te beoordelen op grond van de Woo. Ook heeft verweerder niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht als bedoeld in artikel 5.3 van de Woo. Daarnaast is de zoekslag te beperkt nu niet ook is gezocht op “ [naam] ”. Het beroep is dan ook gegrond vanwege motiveringsgebreken. Nu verweerder naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken het aanvullend besluit III heeft genomen, zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat de rechtgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten.
Heeft verweerder zich aan de opdracht gehouden?
5. Voor zover eisers stellen dat verweerder zich niet aan de opdracht van de rechtbank heeft gehouden, omdat zij niet alle documenten opnieuw heeft beoordeeld, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De opdracht van de rechtbank was om de documenten die nog niet op grond van de Woo waren beoordeeld, alsnog te beoordelen op grond van de Woo [5] . Dit heeft verweerder ook gedaan in het aanvullend besluit van 18 december 2025. Vervolgens heeft verweerder alle documenten (en dus niet alleen de documenten die nog niet op grond van de Woo beoordeeld waren) beoordeeld met in achtneming van de verzwaarde motiveringsplicht als bedoeld in artikel 5.3. van de Woo. Alle documenten waren immers, op het moment van het aanvullend besluit, ouder waren dan vijf jaar. Dat verweerder alle documenten heeft beoordeeld wordt bevestigd in de reactie van verweerder van 24 maart 2026. Daarnaast heeft verweerder een nieuwe zoekslag gemaakt met de zoekterm “ [naam] ”. Daarmee heeft verweerder aan de opdracht van de rechtbank zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2025, voldaan.
Omvang van het geschil
6. Het geschil spits zich toe op de vraag of verweerder op goede gronden documenten (deels) heeft geweigerd openbaar te maken op grond van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer [6] en het goed kunnen functioneren van de gemeente [7] met inachtneming van de verzwaarde motiveringsplicht van documenten ouder dan vijf jaar. Ook is de vraag of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat bepaalde documenten buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.
Toetsingskader
7. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder openbaarmaking van delen van deze documenten op goede gronden heeft geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en i, van de Woo, toetst de bestuursrechter zonder terughoudendheid of het door het bestuursorgaan gestelde andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang beoordelingsruimte, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op toegang tot informatie bestaat, dient in deze afweging zwaar te wegen. [8]
Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
8. In het onderhavige geval heeft de rechtbank, bij het beoordelen van de vertrouwelijk overgelegde stukken, vastgesteld dat de door verweerder onder deze weigeringsgrond weggelakte gegevens inderdaad namen, e-mailadressen, telefoonnummers, handtekeningen en functienamen betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze persoonsgegevens die direct of indirect te herleiden zijn tot een persoon, mogen weglakken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Anders dan eisers menen is de rechtbank van oordeel dat ook de bekendmaking van telefoonnummers en functienamen op zichzelf en in combinatie met andere informatie zonder onevenredige inspanning te herleiden zijn tot een persoon.
Gevolgd kan worden dat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer in dit geval prevaleert boven het algemeen belang van openbaarmaking. Daarbij heeft verweerder in het kader van goed werkgeverschap het belang van bescherming van de privacy van de betrokken ambtenaren zwaarder mogen laten wegen. Verweerder heeft hierbij verder mogen betrekken dat het ambtenaren betreft die niet zelfstandig vanuit hun functie in de openbaarheid treden. Navolgbaar is dat als de identiteit van de betrokken ambtenaren en derden bekend wordt dit hun privacy kan schenden. Zij zouden dan immers buiten de kaders van de werkzaamheden om kunnen worden benaderd, wat zou leiden tot aantasting van hun persoonlijke levenssfeer.
8.1.
Verweerder heeft volgens de rechtbank ook voldaan aan de verzwaarde motiveringsverplichting zoals genoemd in artikel 5.3 van de Woo. Verweerder heeft uitgelegd dat het ook na het verstrijken van vijf jaar nog steeds niet wenselijk te vinden dat algemeen kenbaar wordt wie destijds betrokken waren. Uit de Memorie van Toelichting bij voornoemd artikel [9] volgt weliswaar dat het uitgangspunt is dat de uitzonderingen van 5.1, tweede lid, na vijf jaar niet meer van toepassing zijn tenzij het bestuursorgaan kan motiveren waarom dat in het voorliggende geval anders is, maar hierbij wordt echter expliciet benoemd dat het beschermen van de persoonlijke levenssfeer ook na vijf jaar nog goede redenen kan geven om openbaarmaking achterwege te laten. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat deze redenen er in het onderhavige geval nog steeds zijn. Openbaarmaking kan nog steeds leiden tot schending van de privacy van de betreffende personen. Het enkele tijdsverloop maakt niet dat de informatie bij openbaarmaking niet meer direct of indirect herleidbaar zou zijn.
Goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen
9. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende documenten zijn opgesteld om het college vertrouwelijk te informeren en daarmee naar zijn aard vallen onder het belang genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
9.1.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken en stelt vast dat verweerder deze weigeringsgrond op juiste wijze heeft toegepast. De stukken zien op juridische adviezen en afstemming tussen ambtenaren waaronder voorstellen, aanbevelingen en conclusies over de civiele procedure tussen eisers en verweerder over de serre en de grond daaronder van het hotel. Verweerder heeft zich over de documenten op het standpunt gesteld dat het belang van het goed functioneren van verweerder, in de zin van vrijuit advisering en standpuntbepaling in juridische procedures, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van deze stukken. Openbaarmaking van de documenten zou verweerder in zijn belang raken, omdat dit zou leiden tot het prijsgeven van vertrouwelijke informatie over zijn procespositie. Hetzelfde geldt voor de informatie in de documenten die niet relevant is voor de procedure tussen eisers en verweerder, maar wel voor toekomstige procedures. In zoverre zou openbaarmaking van de documenten het goed functioneren van de verweerder raken. Verweerder kon zich in zoverre redelijkerwijs op het standpunt stellen dat het belang van het goed functioneren van de gemeente zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd waarom ondanks het tijdsverloop het belang van het goed functioneren van de gemeente zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van de betreffende informatie. Partijen waren immers nog altijd verwikkeld in een civielrechtelijke procedure over de vraag wie eigenaar is van de grond onder de serre van [hotel] . Ook valt niet uit te sluiten dat er in de toekomst soortgelijke procedures worden gevoerd waardoor ook hierin een belang voor verweerder is gelegen de stukken niet openbaar te maken.
Documenten buiten de reikwijdte van het openbaarmakingsverzoek
10. De rechtbank heeft alle documenten bekeken waarvan verweerder heeft gezegd dat ze buiten de reikwijdte van het openbaarmakingsverzoek vallen. Hierover kan de rechtbank vaststellen dat deze documenten zien op het terras van [hotel] , en niet waar de bestuurlijke aangelegenheid waar het openbaarmakingsverzoek op ziet namelijk (de grond onder) de serre van [hotel] .
Zoekslag
11. Verweerder heeft een zoekslag verricht in outlook en de netwerkschijven. Waar in de bestreden besluiten I en II alleen nog de zoektermen “ [hotel] ” en “ Serre” zijn gebruikt heeft verweerder in het bestreden besluit III ook de zoekterm “ [naam] ” gehanteerd. Dit heeft 6 extra documenten opgeleverd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee de zoekslag volledig en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Eisers hebben hier in de reactie op het bestreden besluit III ook geen beroepsgrond meer tegen aangevoerd.
[eiseres 3]
12. Nu verweerder op grond van de Woo op het openbaarmakingsverzoek heeft beslist behoeft het standpunt met betrekking tot de positie van [eiseres 3] geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

13. Zoals volgt uit overweging 4 is het beroep gegrond vanwege motiveringsgebreken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder met het aanvullende besluit van 18 december 2025 de motiveringsgebreken voldoende heeft hersteld. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten daarom in stand. [10]
14. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het aanvullend besluit III met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
15. Ook moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden besluiten;
-bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eisers te vergoeden;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep mede gericht te zijn geacht tegen het bestreden besluit II.
2.Overeenkomstig artikel 8:64 lid 5 van Pro de Awb.
3.Zie onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:506.
5.Dit waren de documenten met nummers 8, 9, 10, 12, 41, 42, 51 t/m 84, 87, 89 t/m 125 en 137.
6.Als bedoeld in artikel 5.1.2. onder e van de Woo.
7.Als bedoeld in artikel 5.1.2. onder i van de Woo.
8.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6388.
9.Kamerstukken II 2013/2014, 33328, nr. 9, p. 41.
10.Op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.