ECLI:NL:RBDHA:2026:19659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37667
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 VbArt. 5.8 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser, een Algerijnse vreemdeling geboren in 2003, werd op 7 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiser zou onderduiken en het belang van het vaststellen van zijn identiteit en de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag.

Eiser stelde dat het voortraject gebreken vertoonde, met name dat hij niet correct was gehoord en dat het proces-verbaal onjuistheden bevatte. De rechtbank oordeelde echter dat eiser voldoende was geïnformeerd over het voornemen tot inbewaringstelling en dat hij bewust had geweigerd zijn zienswijze te geven. De vermeende onjuistheden in het proces-verbaal werden niet aannemelijk geacht.

Verder voerde eiser aan dat een lichter middel, zoals plaatsing in een asielzoekerscentrum, volstaan had. De rechtbank verwierp dit omdat verweerder voldoende had gemotiveerd dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was gezien het onderduikrisico en de eerdere vertrekpoging van eiser met onbekende bestemming.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.37667

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, indien vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. [3] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, indien de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [4] zich voordoen. [5] Verweerder kan een dergelijke vreemdeling ook in vreemdelingenbewaring stellen indien vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. [6] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, indien door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, voordoen. [7]
2. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [8]
Het gehoor voor inbewaringstelling
3. Eiser stelt dat sprake is van gebreken in het voortraject. Verweerder heeft geen voornemen tot oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring uitgebracht. Eiser heeft de gehoorruimte verlaten en een mondeling voornemen kan alleen worden uitgebracht in zijn aanwezigheid. Omdat eiser niet meer aanwezig was, is hij niet in de gelegenheid gesteld om zijn reactie op het voornemen kenbaar te maken. Daarnaast bevat het proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026 onjuistheden. Daaruit blijkt namelijk dat, nadat eiser de gehoorruimte heeft verlaten, nog vragen aan hem zijn gesteld. Omdat eiser op dat moment niet meer aanwezig was, kunnen deze vragen niet aan hem zijn gesteld. Er kan daarom niet worden uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal. De maatregel van vreemdelingenbewaring is om deze redenen onrechtmatig.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling [9] van 15 juni 2022 [10] volgt dat verweerder zich moet inspannen om voorafgaand aan het opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende kennis te verzamelen over de betrokken belangen. Het horen als bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van het Vb is daarvoor essentieel. Het stelt de vreemdeling in de gelegenheid om zijn zienswijze op de voorgenomen inbewaringstelling te geven en zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026 volgt dat eiser bij aanvang van het gehoor is geïnformeerd over het voornemen om hem in vreemdelingenbewaring te stellen en dat hem is medegedeeld dat hij zijn zienswijze daarover naar voren kon brengen. Ook is hij erop gewezen dat het aan hem was om bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren die aanleiding zouden kunnen geven voor toepassing van een lichter middel. [11] Tijdens het gehoor heeft eiser, nadat hem onder meer vragen zijn gesteld over zijn familie- en gezinsleven, aangegeven dat hij niet verder wilde verklaren. Hij gaf daarbij aan: “Weet u, ik ben er klaar mee en ga niets meer vertellen. U doet gewoon uw werk maar ik ga niets meer verklaren.” Nadat eiser nogmaals vragen zijn gesteld over zijn burgerlijke staat en eventuele (pleeg)kinderen, waarop hij niet wilde antwoorden, heeft hij de gehoorruimte verlaten. Daarbij heeft hij via de tolk aangegeven dat hij niet verder wilde meewerken aan het gehoor. De verbalisant heeft eiser, nadat hij had aangegeven niet meer te willen verklaren, nogmaals gewezen op zijn recht om zijn zienswijze over het voornemen tot inbewaringstelling naar voren te brengen. Eiser heeft daarop geantwoord: “Nee, ik vertel u echt helemaal niets meer. Ik wil alleen de tolk nog bedanken en dat is het.” [12] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in zijn aanwezigheid is geïnformeerd over het voornemen hem in bewaring te stellen en dat hem twee keer is medegedeeld de gelegenheid te krijgen zijn reactie op het voornemen kenbaar te maken. Dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico. Dat eiser vervolgens de gehoorruimte heeft verlaten, maakt niet dat sprake is van een gebrek in het gehoor als bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van het Vb.
6. Ten aanzien van eisers stelling dat het proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026 onjuistheden bevat, omdat daaruit blijkt dat, nadat eiser de gehoorruimte heeft verlaten, nog vragen aan hem zijn gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser de gehoorruimte heeft verlaten en dat het gehoor daarna om 12:50 uur is beëindigd. [13] De rechtbank stelt vast dat de resterende vragen in het proces-verbaal niet zijn voorzien van antwoorden. Deze vragen maken onderdeel uit van het gehanteerde standaardformulier voor het gehoor. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat deze vragen zijn gesteld “aan een lege stoel”. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Evenmin bestaat daartoe aanleiding naar aanleiding van de door eiser ter zitting ingenomen stelling dat hij de gehoorruimte niet heeft verlaten.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Ook staat in de maatregel dat ten aanzien van eiser is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
  • a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
  • b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel
van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Plaatsing in een asielzoekerscentrum, waar hij zijn asielprocedure kan doorlopen, had kunnen volstaan.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat er een risico dat hij zal onderduiken. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij zijn afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft daarover terecht overwogen dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.

Ambtshalve toets

11. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026, p. 2 van 10.
12.Proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026, p. 4 van 10.
13.Proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2026, p. 4-5 van 10.