ECLI:NL:RBDHA:2026:19608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvragen wegens onvoldoende bewijs familieband en twijfel terugkeer Marokko
Eisers hebben op 27 december 2024 een visum voor kort verblijf aangevraagd om hun neef in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af op 15 januari 2025, en handhaafde dit besluit op 8 juni 2025 na bezwaar. Eisers stelden dat zij het doel van hun reis en hun sociale en economische binding met Marokko voldoende hadden aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende bewijs leverden voor hun familiebanden, aangezien de verklaring op eer niet werd ondersteund door brondocumenten. De minister mocht een hogere bewijsstandaard hanteren. Daarnaast was er redelijke twijfel over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Marokko, omdat zij geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen of voldoende economische binding konden aantonen.
Verder was de motivering van het besluit volgens de rechtbank toereikend, ook al was deze gebaseerd op een standaardformulier, omdat een aanvullende toelichting was gegeven. De minister mocht afzien van een hoorzitting omdat er geen nieuwe feiten of documenten waren ingebracht in de bezwaarfase. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eisers niet over voldoende middelen beschikten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de visumaanvragen in stand bleef en eisers geen griffierecht terugkregen of proceskosten vergoed kregen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.