ECLI:NL:RBDHA:2026:19582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29428
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 50 lid 2 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.3 Voorschrift Vreemdelingen 2000Art. 1.3 Voorschrift Vreemdelingen 2000Art. 10:10 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatig verblijf

Eiser werd op 20 mei 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat hij rechtmatig in Nederland verbleef omdat hij het verwijderingsbesluit van 23 oktober 2023 had opgevolgd door tijdelijk naar het buitenland te gaan. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief had beëindigd, waardoor zijn verblijf onrechtmatig bleef.

Eiser stelde ook dat de ophouding onterecht was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, Vw, omdat zijn identiteit bekend was. De rechtbank stelde vast dat eiser geen identificatiedocumenten had bij ophouding en dat de juiste grondslag was gehanteerd. Daarnaast was de maatregel van bewaring niet correct ondertekend namens de Minister, wat een strijd met artikel 10:10 Awb Pro opleverde. Dit vormgebrek leidde echter niet tot benadeling van eiser, zodat het gebrek werd gepasseerd.

De rechtbank vond de gronden voor de maatregel voldoende onderbouwd en oordeelde dat verweerder voortvarend had gehandeld bij de uitzetting naar Spanje. De ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de maatregel leverde geen onrechtmatigheden op. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van € 1.868.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29428

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer V. Duivesteijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Daadwerkelijk en effectieve beëindiging van het verblijf in Nederland
1. Eiser heeft betoogd dat hij rechtmatig in Nederland verbleef, nu eiser gevolg heeft gegeven aan het aan hem opgelegde verwijderingsbesluit van 23 oktober 2023 door zich voor langere tijd in het buitenland te begeven. Eiser meent dat hij dan ook niet in bewaring gesteld had mogen worden.
2. De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506, F.S.) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang.
3. Bij beschikking van 23 oktober 2023 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van het Unierecht en dat eiser Nederland binnen een
maand moet verlaten. Eiser is vervolgens op 4 december 2023 in bewaring gesteld en deze is op 21 december 2023 opgeheven omdat eiser is uitgezet naar Spanje. Eiser heeft verklaard dat hij een week voordat hij werd aangehouden in mei 2026 naar Nederland is gekomen en dat hij in de tussentijd buiten Nederland nooit een bestendig bestaan heeft opgebouwd zoals het hebben van werk of een woning. Verder heeft hij verklaard dat hij geen partner of kinderen heeft. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk en effectief zijn verblijf heeft beëindigd binnen Nederland. De stelling dat eiser net als in 2023 een zwervend bestaan leidt en overlastgevend gedrag vertoont en het dan ook niet aannemelijk is dat eiser al veel eerder is teruggekomen naar Nederland zonder in aanraking te komen met de politie of verweerder, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser niet daadwerkelijk en effectief zijn verblijf in Nederland heeft beëindigd. De vertrekplicht van eiser is daardoor van kracht gebleven en eisers verblijf in Nederland is dus onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag voor de ophouding
4. Eiser stelt dat de verkeerde grondslag is gehanteerd bij zijn ophouding. Volgens eiser was zijn identiteit al bekend bij de autoriteiten, omdat eiser al eerder naar Spanje was uitgezet. Om deze reden had eisers ophouding niet plaats mogen vinden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
5. De rechtbank constateert dat eiser niet beschikte over een paspoort of enig ander identificerend document ten tijde van de ophouding. Het was daarom niet mogelijk om onmiddellijk de identiteit van eiser vast te kunnen stellen, waardoor eiser terecht is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3719). Verder was het nog niet bekend bij verweerder dat eiser eerder was uitgezet naar Spanje op het moment van de ophouding. Gezien het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht artikel 50, tweede lid, van de Vw als grondslag heeft gebruikt voor eisers ophouding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ondertekening van de maatregel
6. Eiser voert aan dat in de maatregel niet is aangegeven namens welk
bestuursorgaan dit besluit is genomen. Evenmin bevat de maatregel enige vermelding
waaruit volgt dat sprake is van mandaatuitoefening. De enkele vermelding van de naam
en/of functie van de ondertekenaar is daarvoor onvoldoende. Niet kan worden achterhaald of de maatregel bevoegdelijk is opgelegd. In dit verband verwijst eiser naar artikel 10:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zorgt ervoor dat de maatregel vanaf de oplegging ervan onrechtmatig was.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maatregel op juiste wijze is ondertekend, omdat de maatregel is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv). De maatregel is om deze reden rechtmatig opgelegd aan eiser.
8. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) wordt de maatregel, bedoeld in artikel 59 van Pro de Vw 2000 opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van artikel 1.3, eerste volzin, van het Vv 2000 worden, voor zover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de Minister.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Bovenaan de maatregel van inbewaringstelling is vermeld dat deze is opgelegd door de ondergetekende, zijnde ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Op grond van artikel 1.3, eerste volzin, van het Vv dient in de maatregel van bewaring te worden opgenomen dat de bevoegdheid om deze op te leggen is uitgeoefend namens de Minister van Asiel en Migratie. Uit de voorliggende maatregel van bewaring blijkt niet dat de bevoegdheid tot het opleggen ervan is uitgeoefend namens de Minister van Asiel en Migratie. Daardoor is, zoals eiser terecht heeft betoogd, sprake van strijd met artikel 10:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.
10. Op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb kan de maatregel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Dat de ondertekening van de maatregel niet voldoet aan de daarvoor gestelde vormvoorschriften, doet niets af aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de maatregel heeft opgelegd. Eiser heeft ook verder niet onderbouwd op welke manier hij is benadeeld door de strijdigheid met artikel 10:10 van Pro de Awb. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling is gehoord met behulp van een tolk in de Spaanse taal en dat eiser toen is medegedeeld dat het voornemen bestaat om hem in vreemdelingenbewaring te stellen met het oog op uitzetting naar Spanje. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om voorafgaand aan het gehoor telefonisch contact te hebben met zijn advocaat. Tevens heeft eiser met behulp van zijn advocaat beroep in kunnen stellen tegen de onderhavige maatregel van bewaring. Eiser heeft dus gebruik kunnen maken van alle hem toekomende procedurele rechten. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook niet werkelijk in zijn belangen geschaad door de onjuiste ondertekening en de rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op basis van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank zal verweerder wel veroordelen in de proceskosten.
Gronden voor de maatregel
11. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortvarend handelen
13. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Het duurde namelijk zes dagen voordat de aanvraag van een laissez-passer bij de Spaanse autoriteiten werd ingediend door verweerder.
14. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat eiser op 20 mei 2026 in bewaring is gesteld en er op 22 mei 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Ook is op 22 mei 2026 een laissez-passer aanvraag van verweerder naar de Directie Internationale Aangelegenheden gestuurd. Deze is op 26 mei 2026 doorgezonden naar de Spaanse autoriteiten. Nadien is op 1 juni 2026 een laissez-passer afgegeven door de Spaanse autoriteiten. Vervolgens is op 2 juni 2026 een vlucht aangevraagd voor eiser die op 10 juni 2026 zal plaatsvinden. Gelet hierop is niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld met betrekking tot eisers uitzetting naar Spanje. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
15. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.