ECLI:NL:RBDHA:2026:19508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
09.274369.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Y.J. Wijnnobel – van Erp
  • P.C. Goilo – Kam
  • A. Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen en handel in grote hoeveelheid cocaïne

De rechtbank Den Haag heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor internationale handel in harddrugs en het afleveren van een grote hoeveelheid cocaïne. De verdachte heeft ingestemd met procesafspraken, waarbij hij afstand deed van verweren en onderzoekswensen, en de officier van justitie een gevangenisstraf van 40 maanden vorderde met aftrek van voorarrest.

Tijdens de terechtzitting op 1 juli 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en bewust heeft ingestemd met het afdoeningsvoorstel. De bewezenverklaring omvat onder meer het faciliteren van drugstransporten via encryptie-telefoons en het afleveren van ongeveer 40 kilogram cocaïne. De rechtbank achtte de straf passend gezien de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van de drugshandel en het strafblad van de verdachte.

De rechtbank heeft de procesafspraken betrokken bij haar oordeel en vond dat de straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. De detentieomstandigheden in Bulgarije, aangevoerd door de verdediging, werden niet meegewogen omdat deze niet verband hielden met de onderhavige zaak. De verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd in voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor medeplegen van voorbereidingshandelingen en handel in circa 40 kilogram cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/274369-25
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Tegenspraak
(Verkort vonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .

1.De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. E.J. van Drongelen en mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. den Riet naar voren is gebracht.

2.De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2020 tot en met 6 januari 2021 te Delft en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken en/of te vervoeren van een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine en/of MDMA, zijnde methamfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet ehorende lijst I en/of een of meer ander(e) middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
(telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
(telkens) voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft/hebben gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)(telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)
- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, in elk geval telefoons voorhanden gehad en/of daarvan gebruik gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededaders en/of
- stoffen waarmee middelen op lijst I van de Opiumwet vervaardigd kunnen worden, waaronder methylester PMK glycidezuur en/of aceton en/of methylamine en/of zoutzuur en/of caustic soda en/of citroenzuur en/of wijnsteenzuur en/of toluene en/of methanol, aangeschaft en/of vervoerd en/of verstrekt en/of voorhanden gehad en/of
- ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te vervaardigen en/of te kopen en/of verkopen en/of te bewerken en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en/of bewerkt en/of geleverd en/of afgenomen en/of verder vervoerd, althans om stoffen om verdovende middelen te vervaardigen, te kopen en/of verkopen en/of te bewerken en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of
- (aan/bij) de kopende en/of verkopende partij informatie (op)gevraagd en/of verstrekt over de prijzen, omvang en/of samenstelling van verdovende middelen, dan wel van stoffen om deze verdovende middelen te vervaardigen, en/of locaties (ter bereiding/verwerking) en/of transportmogelijkheden en/of
- geld en/of waardepapieren verstrekt en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf en/of verkoop van verdovende middelen;
2
hij op of omstreeks 13 april 2021 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 40 kilogram cocaïne in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.Procesafspraken

3.1.
De aard van de zaak
Deze zaak kenmerkt zich doordat de officieren van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst die zij op 19 mei 2026 aan de rechtbank hebben doen toekomen. In de overeenkomst doen de officieren van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak. Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel in dat:
  • de verdachte afziet van het indienen van onderzoekswensen en al ingediende (en eventueel toegewezen) onderzoekswensen schriftelijk intrekt;
  • de verdachte geen nadere verklaring hoeft af te leggen;
  • de officieren van justitie rekwireren tot bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten en tot veroordeling van de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte voor deze strafzaak in voorarrest heeft doorgebracht;
  • de verdediging geen verweren voert, hetgeen ziet op onder andere de procedure, de bewezen feiten en/of de geëiste straf;
  • de verdachte zich niet zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf en ter terechtzitting van de rechtbank zal verschijnen;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep wordt ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte afspraken.
3.2.
Het toetsingskader
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252. Deze komen op het volgende neer.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de
eerstevraag van artikel 350 Sv Pro brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen acht. Artikel 338 Sv Pro dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Waar het gaat om de beantwoording van de
vierdevraag van artikel 350 Sv Pro heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.
Om betekenis toe te kunnen kennen aan het afdoeningsvoorstel, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3.
De behandeling ter terechtzitting
Om voormelde beoordeling te kunnen verrichten heeft de rechtbank de strafzaak behandeld op de terechtzitting van 1 juli 2026. Deze zitting had het karakter van een inhoudelijke behandeling. Nadat de zaak door de officieren van justitie is voorgedragen heeft de rechtbank de verdachte bevraagd over het afdoeningsvoorstel. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat het afdoeningsvoorstel inhoudt, dat hij begrijpt dat hij bepaalde aan hem toekomende rechten niet uitoefent, wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn en dat hij vrijwillig tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Concreet heeft de verdachte in dit kader verklaard dat hij over de inhoud van het afdoeningsvoorstel met zijn raadsman heeft gesproken, dat hij zich bewust is van de gevolgen van de in dit voorstel gemaakte afspraken en dat hij achter deze afspraken staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt.
De rechtbank heeft de verdachte de gelegenheid geboden om te reageren op de hem ten laste gelegde feiten. De verdachte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.
De officieren van justitie van justitie hebben gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel en de verdediging heeft het woord gevoerd. De verdediging heeft in het bijzonder aandacht besteed aan de detentieomstandigheden van de verdachte in Bulgarije, die de rechtbank – volgens de verdediging – in het kader van zijn persoonlijke omstandigheden mee zou moeten wegen. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit artikel 348 en Pro 350 Sv beantwoorden.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben – overeenkomstig het afdoeningsvoorstel – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – overeenkomstig het afdoeningsvoorstel – geen bewijsverweren gevoerd, en heeft daarbij verwezen naar de gemaakte procesafspraken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2020 tot en met 6 januari 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken en/of te vervoeren van een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine en/of MDMA, zijnde methamfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I en/of een of meer ander(e) middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
(telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
(telkens) voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft/hebben gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)
- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, in elk geval telefoons voorhanden gehad en/of daarvan gebruik gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededaders en/of
- ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te vervaardigen en/of te kopen en/of verkopen en/of te bewerken en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en/of bewerkt en/of geleverd en/of afgenomen en/of verder vervoerd, althans om stoffen om verdovende middelen te vervaardigen, te kopen en/of verkopen en/of te bewerken en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of
- (
aan/bij) de kopende en/of verkopende partij informatie (op)gevraagd en/of verstrekt over de prijzen, omvang en/of samenstelling van verdovende middelen, dan wel van stoffen om deze verdovende middelen te vervaardigen, en/of locaties (ter bereiding/verwerking) en/of transportmogelijkheden en/of
-
geld en/of waardepapieren verstrekt en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf en/of verkoop van verdovende middelen;
2
hij op 13 april 2021 te Vianen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 40 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben – overeenkomstig het afdoeningsvoorstel – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd die voor deze strafzaak in voorarrest is doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – overeenkomstig het afdoeningsvoorstel – geen strafmaatverweer gevoerd, maar heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte wel gewezen op de omstandigheden waaronder de verdachte gedetineerd zat in Bulgarije.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zes maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor (internationale) handel in harddrugs en het afleveren van een grote hoeveelheid cocaïne. Door middel van Sky-ECC heeft de verdachte met anderen drugsgerelateerde informatie uitgewisseld en zo (internationale) drugstransporten gefaciliteerd. De grootschalige handel in harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld vaak niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar vermengd. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten, zoals winkeldiefstallen, woninginbraken of straatoverlast, terug is te leiden tot drugsgebruikers die met verslavingsproblematiek kampen. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Procesafspraken
De rechtbank heeft acht geslagen op het afdoeningsvoorstel en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat een matiging van de strafeis gerechtvaardigd is nu de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdswinst leidt. De rechtbank overweegt dat de tijdswinst met betrekking tot een snellere behandeling van de zaak gelegen is in het feit dat met een sterk verkorte inhoudelijke behandeling kon worden volstaan. Gezien het omvangrijke dossier was zonder procesafspraken een inhoudelijke behandeling van (op zijn minst) een dagdeel noodzakelijk geweest. Verder is veel winst gelegen in het voorkomen van een (volledige) behandeling van de zaak in hoger beroep. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen geen rechtsgeldige manier is om afstand te doen van dat rechtsmiddel. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de vraag of belang bestaat bij dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig het afdoeningsvoorstel zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk indien de rechtbank de overeengekomen straf zou opleggen. Zo bezien leiden de procesafspraken dus tot een efficiencywinst. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken, weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de overeengekomen straf in redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak. De overeengekomen straf dient in voldoende mate de met bestraffing te dienen doelen van vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive. De rechtbank acht dan ook de door de officieren van justitie gevorderde strafeis passend en geboden.
Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde detentieomstandigheden in Bulgarije geldt dat de rechtbank daaraan geen betekenis toekent, nu de verdachte niet in verband met de onderhavige zaak in Bulgarije in detentie heeft verbleven.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank – in lijn met de gemaakte procesafspraken – een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van de tijd die voor deze strafzaak in voorarrest is doorgebracht, aan de verdachte zal opleggen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2, 10, 10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, zich en/of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
40 (VEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis voor deze strafzaak doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, voorzitter,
mr. P.C. Goilo – Kam, rechter,
mr. A. Vink, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. L.E. Kramer en A.V. Sagarajah, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.