ECLI:NL:RBDHA:2026:19470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard

Opposant, een Oezbeekse asielzoeker, diende op 10 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat Litouwen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 7 mei 2026 ongegrond, waarbij werd aangenomen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Litouwen geldt en dat er geen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvang of asielprocedure in Litouwen. Ook werden geen bijzondere individuele omstandigheden vastgesteld die overdracht aan Litouwen onevenredig hard zouden maken.

Opposant maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht om een zitting om zijn situatie nader toe te lichten. De rechtbank oordeelde echter dat in de verzetsprocedure geen nieuwe inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, maar alleen wordt getoetst of het beroep terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen zonder zitting.

De rechtbank concludeerde dat het beroep terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen en dat de argumenten van opposant in verzet geen twijfel over de uitkomst doen ontstaan. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19783

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant [1] ,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11364, heeft de rechtbank het beroep van opposant ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [2] Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op het verzet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb, aangezien opposant niet heeft verzocht om een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Hij heeft op 10 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 8 april 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Litouwen daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [3]
2. In de uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van Litouwen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Litouwen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Ook hebben de Litouwse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en in geval van voorkomende problemen in Litouwen kan opposant zich wenden tot de (hogere) Litouwse autoriteiten. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Litouwen van onevenredige hardheid getuigt.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep als kennelijk ongegrond heeft afgedaan en dat hetgeen opposant is overkomen in Litouwen moest worden afgezet tegen het algemene uitgangspunt dat ten aanzien van Litouwen nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Door opposant op zitting te horen, had hij nader kunnen uitleggen waarom zijn leven ernstig in gevaar is in Litouwen en waarom de Litouwse autoriteiten hem niet kunnen beschermen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijke behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is, en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
5. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. De verzetsrechter stelt voorop dat het door opposant ingestelde beroep niet ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Hoewel de verzetsrechter begrijpt dat opposant op zitting zijn argumenten nader wil uitleggen, doet dit niet af aan het oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het beroep van opposant ongegrond is. In de uitspraak van 7 mei 2026 zijn alle aangevoerde beroepsgronden besproken.
6. Het in verzet aangevoerde argument dat hetgeen opposant is overkomen in Litouwen moest worden afgezet tegen het algemene uitgangspunt dat ten aanzien van Litouwen nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is een herhaling van hetgeen opposant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar in haar uitspraak van 7 mei 2026 reeds op ingegaan en heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Litouwen van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, verzetsrechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.