ECLI:NL:RBDHA:2026:19370

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:11 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing noodopvang en toewijzing voorlopige voorziening

Eiseres heeft een aanvraag voor noodopvang ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, welke is afgewezen. Na bezwaar en een tweede besluit, dat feitelijk het eerste heroverwoog, werd ook dit besluit afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 en Pro 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door getrapte besluitvorming toe te passen en de hoorplicht te schenden.

Eiseres en haar kinderen verblijven momenteel in een hotel, geregeld door het Rode Kruis, en hebben een spoedeisend belang bij noodopvang. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen, waarbij de belangen van de kinderen, waaronder medische omstandigheden, betrokken moeten worden. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen die het college verplicht noodopvang te bieden tot twee weken na het nieuwe besluit.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de beroepsprocedure af, en benadrukt dat het college eerst een heroverweging moet maken zonder opgelegde kaders van de rechter.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, een nieuw besluit wordt opgedragen en een voorlopige voorziening voor noodopvang wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/4606 en 26/5236
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 op het beroep (26/5236) en het verzoek (26/4606) om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om noodopvang. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 19 maart 2026 heeft het college de aanvraag om de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 [1] afgewezen. Verzoekster heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 26 mei 2026 het verzoek afgewezen. [2]
2.1.
Op 29 mei 2026 heeft verzoekster noodopvang aangevraagd bij het college. Bij besluit van 5 juni 2026 (besluit I) heeft het college de aanvraag, met verwijzing naar het besluit van 19 maart 2026 en artikel 1.2.1, onderdeel c, van de Wmo 2015 en de artikelen 2.2, 3.1 en 3.10 van de Verordening, [3] afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 10 juni 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. In bezwaar heeft eiseres onder andere naar voren gebracht dat de afwijzing is gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag. Eiseres heeft om noodopvang gevraagd en daarmee een beroep gedaan op de Stichting Noodopvang Haaglanden/buitenwettelijk beleid. Dat is een andere voorziening dan Wmo-opvang.
2.2.
Bij besluit van 25 juni 2026 besluit II) heeft het college het besluit van 5 juni 2026 ingetrokken en de aanvraag om noodopvang afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de cumulatieve criteria genoemd onder 2 (in de gemeente Den Haag dakloos zijn geworden), 3 (die tenminste twee jaar woonachtig zijn in de gemeente Den Haag, blijkend uit een inschrijving in de Basisregistratie Personen) en 4 (een passende woning hebben verlaten) voor noodopvang. Op 26 juni 2026 heeft eiseres tegen besluit II nadere bezwaargronden ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H. Abdulla als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Eiseres en haar kinderen, de tweeling [naam 1] en [naam 2] geboren op [geboortedatum] 2024, hebben geen vaste verblijfplaats. Momenteel verblijven zij in een hotel. Dit verblijf heeft het Rode Kruis geregeld. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het verblijf waarschijnlijk eindigt als uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft.
Besluit II
4. Ter zitting is met partijen besproken hoe besluit II geduid dient te worden. Met besluit II heeft het college feitelijk besluit I heroverwogen naar aanleiding van de gronden in bezwaar en de gronden in het verzoekschrift. Partijen hebben, kort samengevat, zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb [4] . Er is sprake van getrapte besluitvorming door besluit II te nemen in plaats van een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter merkt besluit II daarom aan als een beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit). Het verzoek om een voorlopige voorziening zal door de voorzieningenrechter verder beoordeeld worden in het kader van een verzoek gedaan hangende beroep (het daarvoor aangemaakte zaaknummer voor het beroep is SGR 26/5236) De (bezwaar)gronden van 26 juni 2026 die eiseres tegen besluit II heeft aangevoerd worden aangemerkt als beroepsgronden.
Kortsluiten
5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op de gronden van het beroep van eiseres daartegen. [5] Partijen zijn ter zitting gewezen op de mogelijkheid van kortsluiting en hebben ter zitting geen bezwaren daartegen aangevoerd.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verzoekster niet heeft gehoord alvorens het bestreden besluit te nemen. Dit betekent dat het college de hoorplicht, neergelegd in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, heeft geschonden. Deze schending kan niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd nu eiseres heeft aangevoerd dat nader onderzoek naar de belangen van de kinderen gedaan moet worden. In dat kader heeft eiseres ter zitting toegelicht dat de actuele feiten en omstandigheden rondom de gezondheid van haar kinderen meegenomen dienen te worden bij de beoordeling. Zij heeft daarbij verwezen naar een brief van de kinderarts van 22 mei 2026 en de betrokkenheid van de Jeugdgezondheidszorg van de gemeente Den Haag. Het is daarom aannemelijk dat eiseres is benadeeld doordat zij niet is gehoord. Reeds gelet daarop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en het college op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
7. De voorzieningenrechter ziet gelet op het verloop van deze (spoed)procedure, de getrapte besluitvorming, het feit dat er nog niet is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2026 en de vernietiging van het bestreden besluit, aanleiding om de gronden van het beroep verder niet te bespreken. De voorzieningenrechter acht het van belang dat het college eerst de gelegenheid krijgt om een heroverweging te maken en daarbij de mogelijkheid om, zonder opgelegde kaders van de voorzieningenrechter, een standpunt in te nemen ten aanzien van onder andere de belangen van de kinderen en hetgeen eiseres daarover stelt in deze procedure over de afwijzing van de noodopvang. Het college kan daarbij dan ook de actuele feiten en omstandigheden en de door eiseres ter zitting genoemde stukken van de Jeugdgezondheidszorg betrekken. De voorzieningenrechter geeft het college op dit punt mee dat bij het nieuw te nemen besluit kenbaar rekenschap gegeven moet worden over de belangen van de kinderen. In dat kader lijkt onderzoek aangewezen, al dan niet door inschakeling van een deskundige, naar en weging van de gevolgen van weigering van de noodopvang voor de kinderen. In de heroverweging zal ook de betwisting van eiseres dat zij niet voldoet aan de voorwaarden 2, 3 en 4 van het beleid, aan de orde moeten komen. .

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag om noodopvang te nemen. Dit omdat nader onderzoek gedaan moet worden door het college naar onder andere de belangen van de kinderen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen.
9. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is en het college wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Gelet op de brief van de kinderarts, die aangeeft dat er op dit moment zorgen zijn over de ontwikkeling van de extreem vroeg geboren tweeling omdat er onvoldoende neonatale follow up is geleverd, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening dat het besluit I tot zes weken na het nieuw te nemen besluit is geschorst en draagt het college op tot twee weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit dient te zorgen voor noodopvang aan eiseres en haar kinderen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en vanwege de uitkomst van deze zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding om te bepalen dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt. Eiseres zal na de uitspraak een nota ontvangen voor het betalen van het griffierecht van € 54,- voor de beroepsprocedure (26/5236). Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet echter deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend op 26 juni 2026, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juni 2026;
- draagt het college op een nieuw besluit te met inachtneming van deze uitspraak;
- schorst het besluit van 5 juni 2026 tot zes weken na bekendmaking van de het nieuw te nemen besluit;
- bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening dat het college moet zorgen voor noodopvang aan verzoekster en haar kinderen. Deze voorlopige voorziening vervalt twee weken nadat het college een nieuw besluit heeft genomen en dat besluit heeft bekendgemaakt;
- wijst het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning
3.Verordening = Verordening maatschappelijke opvang Den Haag 2018
4.Awb = Algemene wet bestuursrecht
5.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.