Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26_3178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.2.1 Wmo 2015Art. 3 IVRKArt. 27 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid verzoekster

Verzoekster, een vrouw met de Keniaanse nationaliteit, heeft een aanvraag voor maatschappelijke opvang bij de gemeente Den Haag ingediend nadat zij met haar kinderen tijdelijk geen onderdak had. De gemeente wees de aanvraag af omdat verzoekster zelfredzaam is en maatschappelijke opvang niet in het belang van haar kinderen is. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, maar dat het onderzoek van de gemeente zorgvuldig was en verzoekster in staat is zichzelf en haar kinderen te handhaven met gebruikelijke hulp en haar sociale netwerk. De belangen van de kinderen zijn meegewogen en er zijn geen medische of andere omstandigheden die opvang noodzakelijk maken.

Verzoekster voerde aan dat haar belangen en die van haar kinderen onvoldoende waren meegewogen en dat haar een toezegging was gedaan dat de opvang zou worden voortgezet bij tijdige bezwaarindiening. De voorzieningenrechter vond dit onvoldoende onderbouwd en concludeerde dat er geen sprake was van een toezegging tot verlenging van de opvang.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekster zelfredzaam is en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3178

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Met het primaire besluit van 19 maart 2026 heeft verweerder de aanvraag om de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu verzoekster met haar kinderen slechts tijdelijk zijn opvangen.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster, geboren op [geboortedatum 1] 1999, heeft de Keniaanse nationaliteit. Zij is in 2022 vanuit Kenia naar Duitsland gegaan in verband met een stage. In februari 2023 is zij vertrokken naar Nederland ( [plaats] ), waar zij met een werkvisum als au pair heeft gewerkt. In Nederland kreeg zij een relatie met een Nederlandse man van wie zij zwanger raakte. Nadat haar contract afliep in Nederland, kreeg zij een contract als au pair in Duitsland. Op [geboortedatum 2] 2024 zijn in Duitsland haar kinderen [kind 1] en [kind 2] geboren. Deze kinderen zijn erkend door de Nederlandse man en hebben de Nederlandse nationaliteit. In 2025 is verzoekster naar Den Haag gekomen. Volgens verzoekster heeft zij toen afwisselend bij de Nederlandse man gewoond en in verschillende Airbnb’s verbleven die door de Nederlandse man of haar oma werden betaald. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij zich eerst vanaf oktober 2024 heeft ingeschreven op het adres van die Nederlandse man, eerder had zij verklaard zich in juli 2025 daar te hebben ingeschreven. Op een gegeven moment moest verzoekster met haar kinderen van de Nederlandse man uit zijn woning vertrekken. Verzoekster heeft zich vervolgens op 28 januari 2026 gemeld bij het Daklozenloket en een aanvraag voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang gedaan. Nadat haar is meegedeeld dat ze niet tot de opvang werd toegelaten heeft zij in Nijmegen en Groningen verbleven. Zij heeft zich daarna bij de gemeente Groningen gemeld voor opvang en na contact met gemeente Den Haag werd ze in Den Haag tijdelijk toegelaten tot maatschappelijk opvang. Deze is per 30 maart 2026 beëindigd. Het Rode Kruis heeft haar tot op heden opvang geboden.
4. Verweerder heeft bij besluit van 19 maart 2026 de aanvraag afgewezen en beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Volgens verweerder is verzoekster zelfredzaam en is maatschappelijke opvang ook niet in het belang van verzoeksters kinderen.
5. Verzoekster voert aan dat uit het onderzoek juist blijkt dat zij behoefte heeft aan ondersteuning op bijna alle leefgebieden, onder andere op gebied van financiën, werk en opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, gezondheid, ADL, sociaal netwerk en kinderopvang. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar een sociaal netwerk in Kenia. Voorts stelt verzoekster dat bij het onderzoek het belang van de kinderen conform artikel 3 van Pro het IVRK moet worden betrokken, dit heeft verweerder nagelaten door geen deskundige in te schakelen.
Zij heeft voorts ter zitting aangevoerd dat zou zijn toegezegd dat als zij binnen twee weken bezwaar zou maken tegen het besluit van 19 maart 2026 dat dan de opvang zal worden voortgezet. Ook is namens verzoekster erop gewezen dat er contact is geweest tussen de gemeente Groningen en de gemeente Den Haag en dat laatstgenoemde de verantwoordelijkheid voor verzoekster draagt nu de gemeente Den Haag haar heeft overgenomen van Groningen. Nu niet duidelijk is wat daarbij over de opvang precies is afgesproken zou dit reden moeten zijn om de opvang van verzoekster te verlengen.
6.1.
Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.2
Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
6.3.
Centraal staat de vraag of verzoekster in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek van verweerder zorgvuldig geweest. Blijkens het advies is onderzoek gedaan naar alle leefgebieden van verzoekster, waarbij aandacht is besteed aan de situatie van verzoekster. Ook is bij het onderzoek de belangen van de kinderen van verzoekster betrokken. Daarmee is voldoende in kaart gebracht wat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn en waar haar hulpvraag ligt.
7.2.
Uit het onderzoek van verweerder is gebleken dat verzoekster in staat is gebleken voor zichzelf een stage plek te vinden vanuit Kenia in Duitsland. Nadat ze weer was teruggekeerd naar Kenia heeft ze een werkvisum voor Nederland geregeld en is ze hier als au pair aan de slag gegaan. Na beëindigen van dat contract heeft ze werk gevonden in Duitsland. Na de geboorte van de tweeling heeft zij af en aan bij de vader van de tweeling gewoond en met behulp van mensen in Nederland of haar netwerk in Kenia onderdak weten te regelen. Zo blijkt uit de telefoonnotitie dat na de mededeling in januari 2026 dat zij niet tot de opvang werd toegelaten dat zij de eerste maand in Nijmegen zou verblijven en daarna had ze verblijf geregeld in Groningen. Ze gaf aan dat, nu ze niet door de gemeente geholpen werd, zij zelf een oplossing had gevonden.
Verder blijkt uit het onderzoek dat zij de basale ADL zelfstandig kan uitvoeren, dat zij zelf zaken kan regelen en dat zij in staat is het huishouden zelfstandig uit te voeren. Gelet op het bovenstaand heeft verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op juiste gronden besloten dat verzoekster zelfredzaam is.
7.3.
Ook heeft verweerder bij het nemen van het besluit voldoende rekening gehouden met het belang van de kinderen van verzoekster. De kinderen zijn nog jong en op die leeftijd hebben zij enkel de zorg van en de hechting met verzoekster nodig. Er zijn geen medische problemen die reden gegeven om te concluderen dat opvang noodzakelijk is.
Artikel 3 van Pro het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.
Anders dan verzoekster heeft aangevoerd, volgt uit het Wmo-advies dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als hiervoor bedoeld en deze belangen uitgebreid heeft meegewogen. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben verweerder er niet toe gebracht anders te beslissen.
Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de ouders van de kinderen waarbij, wederom, van belang is dat verzoekster zelfredzaam te achten is.
7.4.
Omdat verzoekster als voldoende redzaam kan worden beschouwd, heeft verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kunnen besluiten dat verzoekster niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang.
8.1.
Voor zover verzoekster een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, doordat een toezegging gedaan zou zijn dat als binnen twee weken bezwaar zou zijn gemaakt de opvang verlengd zou worden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze stelling van verzoekster onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat verzoekster is verwezen naar het [instelling] in Den Haag en dat haar is uitgelegd dat zij bezwaar kan maken tegen het besluit. Op 20 maart 2026 is er contact geweest met [naam] van [instelling] dat hij verzoekster gaat ondersteunen bij indienen bezwaar en aanvraag vovo. Op 27 maart 2026 is wederom contact geweest met [instelling] omdat er geen bezwaar was ingediend. De aangehaalde opmerking
“Aanzegging is niet voldoende om tijdelijke opvang te verlengen”kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gelezen worden als een toezegging dat de opvang zou worden verlengd als zij op dat moment wel bezwaar had ingediend. In het bezwaarschrift zoals op 3 april is ingediend door [instelling] wordt evenmin verwezen naar een dergelijke toezegging.
Ten aanzien van het standpunt dat de gemeente Den Haag verzoekster heeft overgenomen uit Groningen en dat onduidelijk zou zijn gebleven wat tussen beide gemeentes over de opvang zou zijn besproken wijst de voorzieningenrechter op de telefoonnotitie van 17 maart 2026. Hieruit blijkt dat verzoekster zich na de mededeling door verweerder, dat zij geen recht had op opvang, heeft gemeld bij de gemeente Groningen. Groningen heeft daarop contact opgenomen met Den Haag en omdat de aanvraag in Den Haag liep is zij door Den haag overgenomen. Daarbij is door verweerder aan verzoekster meegedeeld dat Den Haag het niet ging om langdurige opvang maar voor een paar dagen zodat zij een plan kon maken. Ook op basis van de contacten met Groningen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gesteld worden dat bij verzoekster het vertrouwen zou zijn gewekt dat verweerder haar ook na indienen van het bezwaar zou opvangen.
9. Gelet op het bovenstaand zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat
de uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.