Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Zij heeft voorts ter zitting aangevoerd dat zou zijn toegezegd dat als zij binnen twee weken bezwaar zou maken tegen het besluit van 19 maart 2026 dat dan de opvang zal worden voortgezet. Ook is namens verzoekster erop gewezen dat er contact is geweest tussen de gemeente Groningen en de gemeente Den Haag en dat laatstgenoemde de verantwoordelijkheid voor verzoekster draagt nu de gemeente Den Haag haar heeft overgenomen van Groningen. Nu niet duidelijk is wat daarbij over de opvang precies is afgesproken zou dit reden moeten zijn om de opvang van verzoekster te verlengen.
Verder blijkt uit het onderzoek dat zij de basale ADL zelfstandig kan uitvoeren, dat zij zelf zaken kan regelen en dat zij in staat is het huishouden zelfstandig uit te voeren. Gelet op het bovenstaand heeft verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op juiste gronden besloten dat verzoekster zelfredzaam is.
Artikel 3 van Pro het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de ouders van de kinderen waarbij, wederom, van belang is dat verzoekster zelfredzaam te achten is.
“Aanzegging is niet voldoende om tijdelijke opvang te verlengen”kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gelezen worden als een toezegging dat de opvang zou worden verlengd als zij op dat moment wel bezwaar had ingediend. In het bezwaarschrift zoals op 3 april is ingediend door [instelling] wordt evenmin verwezen naar een dergelijke toezegging.
Ten aanzien van het standpunt dat de gemeente Den Haag verzoekster heeft overgenomen uit Groningen en dat onduidelijk zou zijn gebleven wat tussen beide gemeentes over de opvang zou zijn besproken wijst de voorzieningenrechter op de telefoonnotitie van 17 maart 2026. Hieruit blijkt dat verzoekster zich na de mededeling door verweerder, dat zij geen recht had op opvang, heeft gemeld bij de gemeente Groningen. Groningen heeft daarop contact opgenomen met Den Haag en omdat de aanvraag in Den Haag liep is zij door Den haag overgenomen. Daarbij is door verweerder aan verzoekster meegedeeld dat Den Haag het niet ging om langdurige opvang maar voor een paar dagen zodat zij een plan kon maken. Ook op basis van de contacten met Groningen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gesteld worden dat bij verzoekster het vertrouwen zou zijn gewekt dat verweerder haar ook na indienen van het bezwaar zou opvangen.