ECLI:NL:RBDHA:2026:19369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20360 en NL26.20361
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens afhankelijkheidsrelatie en psychische problematiek

Eiseres, een Turkse asielzoekster, diende op 1 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam haar aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. Eiseres stelde dat zij afhankelijk is van haar vader, die in Nederland verblijft, en dat haar psychische problematiek een grond is om de aanvraag wel in behandeling te nemen.

De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte een te beperkte interpretatie hanteerde van de afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank stelde vast dat eiseres ernstige psychische klachten heeft, waaronder een suïcidepoging en opname in een psychiatrische inrichting, en dat de nabijheid van haar vader een positieve invloed heeft op haar gezondheid.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van overdracht aan Bulgarije, in strijd met het arrest C.K. De minister had een advies van het Bureau Medische Advisering moeten vragen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij de belangen van eiseres zorgvuldig moeten worden meegewogen.

De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 2.802,- aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.20360 (beroep)
NL26.20361 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 2004, van Turkse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft eiseres haar aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om de minister te verbieden haar uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van beide partijen en een tolk in de Turkse taal, meneer Cetinkaya. Ook de vader van eiseres is ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres heeft op 1 december 2025 een asielaanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan eiseres is door Bulgarije een Schengenvisum verleend met een geldigheidsduur van 8 september 2025 tot 7 december 2025. Om die reden heeft de minister de Bulgaarse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. Op 20 januari 2026 zijn de Bulgaarse autoriteiten hiermee akkoord gegaan.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister vervolgens bepaald dat de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling wordt genomen op de grond dat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk is. [1] De minister heeft geen reden gezien om de asielaanvraag zelf in behandeling te nemen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij afhankelijk is van haar vader, die een asielstatus in Nederland heeft. Dat haar vader een nareisaanvraag voor haar heeft gedaan staat volgens de minister los van de Dublinprocedure. In de medische omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht ziet de minister geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Tot slot heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid.
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 16 van Pro de Dublinverordening
4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 16 van Pro de Dublinverordening [2] . Zij heeft met de door haar overgelegde stukken onderbouwd dat zij in Turkije psychisch is ingestort, een suïcidepoging heeft gedaan en dat zij opgenomen is geweest in een psychiatrische inrichting. Ook heeft zij aangetoond dat zij tot op heden onder behandeling staat en dat volgens haar behandelaar gezinsondersteuning voor de psychische gezondheid van eiseres prioriteit heeft. Eiseres is nu bijna zeven maanden in Nederland en uit de meest recente brief van de psycholoog blijkt dat de nabijheid van haar vader een positieve invloed heeft gehad op haar psychische gesteldheid. Er is dus sprake van de vereiste afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar vader. De stelling van de minister dat alleen haar vader voor haar moet kunnen zorgen, en niemand anders, is in dit verband onjuist.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres er niet in is geslaagd aan te geven waarom zij afhankelijk is van haar vader en dat hij de enige is die voor haar kan zorgen. Dit volgt volgens verweerder ook niet uit de brief van de behandelaar van eiseres. Ook wordt overwogen dat de zorg en steun van haar vader ook op afstand kan worden gegeven.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening de lidstaten ervoor zorgen dat de vreemdeling kan blijven bij of wordt verenigd met een kind, broer of zus, of ouder, als sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als gevolg van zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd. Het betreffende familielid moet daarnaast wettig verblijven in een van de lidstaten en de familiebanden moeten al in het land van herkomst hebben bestaan. Het familielid of de aanvrager moet ook in staat zijn voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen moeten schriftelijk verklaren dat zij voor elkaar wensen te zorgen.
4.3.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder met zijn standpunt in de besluitvorming en ter zitting lijkt te suggereren dat van de in artikel 16 van Pro de Dublinverordening bedoelde afhankelijkheid alleen sprake kan zijn als deze afhankelijkheid een ‘exclusief karakter’ heeft. Dit door verweerder gestelde vereiste volgt, zoals ook eerder overwogen door deze rechtbank en zittingsplaats [3] , niet uit de bewoordingen en strekking van artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De minister gaat daarmee in zijn beoordeling uit van een te beperkte interpretatie van ‘afhankelijkheid’, die niet overeenkomt met de Dublinverordening. De rechtbank ziet op dit punt een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit.
5. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit geen stand kan houden. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna nog ingaan op de volgende beroepsgrond.
Het C.K.-arrest
6. Eiseres betoogt verder dat het onbegrijpelijk is dat de minister gelet op de medische rapporten die zijn overgelegd geen aanleiding heeft gezien om het BMA [4] in te schakelen. Het besluit is daarom genomen in strijd met het arrest C.K. [5] . Eiseres heeft ernstige psychische klachten en er is sprake van een suïciderisico. Eiseres is door de vluchtsituatie van haar vader achtergebleven in Turkije in een kwetsbare positie. Zij is in die periode verkracht, hetgeen er in belangrijke mate aan heeft bijgedragen dat zij met ernstige psychische klachten kwam te kampen. Zij heeft daarop een suïcidepoging gedaan en is opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek in Turkije. Zij staat nu nog onder behandeling, haar klachten zijn erg serieus, en het suïcidegevaar gevaar is nog niet geweken. Wel gaat het wat beter met haar nu zij in Nederland in de nabijheid van haar vader leeft. De scheiding met haar vader door de overdracht naar Bulgarije zou voor veel onzekerheid zorgen en bijdragen aan het suïciderisico.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres met de overgelegde medische stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Bulgarije zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Niet is gebleken dat het suïciderisico bij eiseres als reëel of hoog is ingeschat en in de overgelegde stukken wordt niet gesproken over de gevolgen van de overdracht aan Bulgarije.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken die eiseres heeft overgelegd onder andere het volgende blijkt over haar gezondheidstoestand. Eiseres heeft in het verleden een suïcidepoging ondernomen, hetgeen heeft geleid tot een opname in een psychiatrische kliniek. De gebeurtenissen in Turkije hebben bij eiseres geleid tot posttraumatische stressklachten bestaande uit intense angst, gevoelens van onveiligheid, slaapstoornissen, onwillekeurige herinneringen aan de gebeurtenis, emotionele prikkelbaarheid, verminderd sociaal functioneren en ook lichamelijke klachten. Zij staat tot op heden onder behandeling voor deze klachten. De behandelaar geeft aan dat in de afgelopen zes maanden, sinds eiseres bij haar vader in Nederland verblijft, is gebleken dat hij een belangrijke beschermende factor is die haar angstniveau verlaagt. Uit de verklaring van de behandelaar volgt ook dat gelet op eiseres huidige psychische toestand het risico bestaat dat het weghalen van eiseres uit haar veilige en ondersteunende leefomgeving – dat wil zeggen: het verblijf bij haar vader – negatieve gevolgen heeft voor haar emotionele gesteldheid. Naar verwachting kan dit leiden tot een verslechtering van de psychische klachten die momenteel juist verbetering laten zien, een toename van trauma gerelateerde symptomen en een ontregeling van haar emotionele evenwicht.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres met deze informatie de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, in ieder geval tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat het niet strikt vereist is dat er medische stukken worden overgelegd waaruit volgt dat het risico op suïcide door een behandelaar als reëel of hoog wordt ingeschat. Eiseres verwijst in dat verband terecht naar de uitspraak van de Afdeling [6] van 5 juni 2026. [7] Volgens de door eiseres overgelegde medische gegevens, in samenhang met haar verklaringen, is er bij haar sprake van zeer ernstige psychische klachten, waarvan de behandelaar en eiseres zelf aangeven dat deze zullen verergeren in afwezigheid van haar vader. In het verleden hebben deze klachten, zoals eiseres op zitting ook heeft toegelicht, geleid tot minstens één suïcidepoging. Het voorgaande betekent in het licht van het arrest C.K. dat de vergewisplicht van de minister is geactiveerd. De minister moet deugdelijk gemotiveerd de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van eiser wegnemen. Derhalve stelt eiseres zich terecht op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen BMA-advies heeft aangevraagd.
Overige beroepsgronden
7. Nu het beroep reeds gelet op hetgeen hiervoor is besproken gegrond is, laat de rechtbank de overige beroepsgronden onbesproken

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [8] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister het BMA om advies moet vragen. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
9. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.20360:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.20361:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) 604/2013.
3.Uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23030, r.o. 6.4.
4.Bureau Medische Advisering.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
6.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Algemene wet bestuursrecht