ECLI:NL:RBDHA:2026:1933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/3860
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en overschrijding redelijke termijn

Eiser ontving bijstand vanaf 2018 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een signaal over een niet-gemelde auto startte het college een onderzoek naar zijn hoofdverblijf. Uit diverse onderzoeken, waaronder buurtonderzoek, waarnemingen en bankafschriften, bleek dat eiser sinds de geboorte van zijn tweede kind in 2023 vaker verbleef bij zijn partner en kinderen op een ander adres.

Het college trok de bijstand per 5 april 2023 in en vorderde de te veel ontvangen uitkering terug. Eiser voerde aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het college aan zijn bewijslast had voldaan en dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van zijn hoofdverblijf.

De rechtbank stelde vast dat de terugvordering terecht was en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Wel werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden in de beroepsprocedure. Daarnaast werden proceskosten van €467 toegewezen voor het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard, met een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3860

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] )

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 oktober 2023 (primair besluit) heeft het college de bijstand van eiser per 5 april 2023 ingetrokken en de te veel betaalde bijstand over de periode 5 april 2023 tot en met 30 september 2023 van € 6.835,15 netto teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 26 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de intrekking en terugvordering gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam] ( [naam] ), partner van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser staat sinds 12 december 2018 ingeschreven in de BRP [1] op het adres [adres] te [plaats 1] (uitkeringsadres) en ontving sindsdien bijstand naar de norm van een alleenstaande. Hij heeft een relatie met [naam] . Samen hebben zij twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 1] 2022) en [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 2] 2023). [naam] woont samen met de kinderen in [plaats 2] .
3.1.
Het college heeft naar aanleiding van een op 16 mei 2023 ontvangen signaal over een niet gemelde auto op eisers naam onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van eiser. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, het waterverbruik opgevraagd en zijn waarnemingen gedaan in de periode 6 september 2023 tot en met 5 oktober 2023. Ook is er op 26 september 2023 een buurtonderzoek gedaan waarbij drie getuigenverklaringen zijn afgenomen.
3.2.
Bij brief van 25 september 2023 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op 28 september 2023. Eiser is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij brief van 28 september 2023 is eiser nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 4 oktober 2023 om 9:00 uur. Eiser is niet verschenen. Twee sociale rechercheurs zijn vervolgens naar het uitkeringsadres gegaan. Eiser was niet thuis. Na telefonisch contact met eiser is hij omstreeks 11:07 uur alsnog verschenen voor een verhoor door de sociale rechercheurs. Van het verhoor is een niet door eiser ondertekend verslag opgemaakt. Na het verhoor is afgesproken met eiser dat hij om 14:30 uur aanwezig zou zijn op het uitkeringsadres. Hij heeft tijdens het verhoor verklaard dat hij zijn huissleutels was vergeten en dat hij de sleutels in [plaats 2] moest ophalen. De sociaal rechercheurs waren omstreeks 14:10 uur bij het uitkeringsadres, maar eiser was er niet. Rond 14:45 uur hebben de sociaal rechercheurs eiser gebeld. [naam] nam op en zei dat eiser verhinderd was om te komen. Zij had namelijk zijn hulp nodig voor het op bed leggen van de kinderen. Vervolgens is met [naam] afgesproken dat het huisbezoek de volgende dag, 5 oktober 2023, om 8:30 uur alsnog zou plaatsvinden op het uitkeringsadres, hetgeen ook is gebeurd. De resultaten van het onderzoek staan in een rapportage Bijzonder Onderzoek van 17 oktober 2023.
3.3.
Aan het bestreden besluit heeft het college, met verwijzing naar het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van 7 februari 2024, ten grondslag gelegd dat eiser in ieder geval vanaf [geboortedatum 2] 2023 niet meer zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Dit blijkt uit de onderzoeksbevindingen, afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang bezien. Zo hebben de banktransacties in de periode van belang voornamelijk in [plaats 2] plaatsgevonden, heeft eiser tijdens het verhoor op 4 oktober 2023 verklaard dat hij sinds de geboorte van zijn tweede kind op [geboortedatum 2] 2023 vaker bij [naam] in [plaats 2] verbleef dan in [plaats 1] en heeft hij tijdens de hoorzitting verklaard dat hij in ieder geval twee keer per week bij [naam] verbleef. Tijdens het huisbezoek op 5 oktober 2023 zijn persoonlijke bezittingen zoals een pc, de (financiële) administratie en verzorgingsartikelen als handdoeken, tandenborstel en tandpasta niet aangetroffen in de woning. Uit de (schriftelijke) getuigenverklaringen van de drie directe buren is gebleken dat niemand eiser heeft herkend als bewoner op het uitkeringsadres.
Uit de heimelijke observaties is geconstateerd dat in de periode van 6 september 2023 tot en met 4 oktober 2023 niemand verbleef op het uitkeringsadres. Alleen tussen 14 september 2023 en 15 september 2023 heeft iemand het pand betreden en weer verlaten en is de brievenbus geleegd. Op grond van het voorgaande vindt het college dat het zwaartepunt van eisers persoonlijke leven zich niet bevindt op het uitkeringsadres vanaf [geboortedatum 2] 2023. De bijstand is daarom vanwege schending van de inlichtingenplicht ingetrokken vanaf [geboortedatum 2] 2023 op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw). Het college is daardoor verplicht om de te veel betaalde bijstand over de periode vanaf [geboortedatum 2] 2023 tot 30 september 2023 ten bedrage van € 6.835,15 terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is niet gebleken, aldus het college.
4. Eiser voert in beroep aan dat het college niet is geslaagd in zijn bewijslast. Er is onvoldoende bewijs voor de conclusie dat hij vanaf [geboortedatum 2] 2023 niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Zo zijn er wel banktransacties gedaan in [plaats 1] in de periode in geding en is niet gebleken dat een recente foto van hem is getoond tijdens het buurtonderzoek. Er is te weinig oog geweest voor het ontlastend bewijs. Er is sprake van een situatie waarin het zonder meer begrijpelijk is dat eiser er steeds vaker en frequenter voor zijn partner wilde zijn. Het is dan lastig te bepalen waar de grens ligt als het gaat om al dan niet samenwonen. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat niet gebleken is van een deugdelijke belangenafweging.
5. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde datum. De te beoordelen periode ten aanzien van de intrekking is daarom vanaf [geboortedatum 2] 2023 (datum intrekking) tot en met 17 oktober 2023 (datum primair besluit).
5.1.
Intrekking en terugvordering van bijstand is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het college. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiser gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres.
5.2.
Het hoofdverblijf van eiser is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Eiser is verplicht juiste en volledige informatie over het woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. [2]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft voldaan aan zijn bewijslast gelet op de grondslag van het bestreden besluit samengevat in 3.3.. Verder is het volgende van belang. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat eisers pintransacties in de periode van [geboortedatum 2] 2023 tot en met 3 oktober 2023, op vijf keer tanken bij een tankstation in [plaats 1] na (op 4 juli 2023, 23 augustus 2023, 8 september 2023, 23 september 2023 en 28 september 2023), hebben plaatsgevonden buiten [plaats 1] . Blijkens de bankafschriften heeft eiser in de periode van [geboortedatum 2] 2023 tot en met 3 oktober 2023 (en ook ruim daarvoor) bijna dagelijkse pintransacties gedaan in [plaats 2] bij verschillende supermarkten, pinautomaten en tankstations. Tijdens het verhoor op 4 oktober 2023 heeft eiser verklaard dat hij sinds de geboorte van zijn tweede kind op [geboortedatum 2] 2023 vaker dan normaal was bij [naam] . Hij is daar meer gaan logeren om haar te helpen. Hij is sinds zes maanden meer in [plaats 2] dan in [plaats 1] .
Blijkens het verslag van de hoorzitting in bezwaar heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij in de periode dat hij [naam] bijstond in verband met haar zwangerschap en in de periode daarna nooit bij [naam] bleef slapen. Hij reisde veel heen en weer van [plaats 1] naar [plaats 2] . Hij hielp mee met de verzorging van de kinderen, bracht bijvoorbeeld het oudste kind naar bed en ging later op de avond dan altijd weer terug naar zijn eigen woning. Later heeft hij desgevraagd verklaard dat hij normaal gesproken altijd een keer per week in [plaats 2] verbleef. In de tijd dat [naam] zwanger was en na de geboorte van hun tweede kind is dat twee keer per week geworden. De rechtbank benadrukt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven niet enkel of doorslaggevend wordt bepaald door waar eiser daadwerkelijk heeft geslapen in de nacht. Eiser heeft tijdens het verhoor, in bezwaar en in beroep niet betwist dat hij vanaf [geboortedatum 2] 2023 veelvuldig bij [naam] in [plaats 2] verbleef. Dit blijkt ook uit de bankafschriften. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat het college alleen voor de periode vanaf 6 september 2023, de aanvangsdatum van de waarnemingen, heeft voldaan aan zijn bewijslast.
5.4.
Ter zitting hebben [naam] en eiser toegelicht dat [naam] een hele zware zwangerschap heeft gehad. Ook na de geboorte van hun tweede kind waren er ernstige medische problemen. Zo heeft [naam] een hartstilstand gehad. Daarnaast schelen de kinderen slechts elf maanden waardoor er veel zorg nodig was. Dit kon [naam] niet alleen. Eiser was daarom veel bij haar om haar te helpen, ook in de periode van tien dagen dat zij in het ziekenhuis lag. Hoewel voorstelbaar is dat eiser andere prioriteiten had na de geboorte van zijn tweede kind, moest het hem redelijkerwijs duidelijk zijn dat het veelvuldig verblijf buiten [plaats 1] van belang zou kunnen zijn voor zijn recht op bijstand. Hij had daarom het college van zijn woon- en leefsituatie op de hoogte moeten stellen, zodat het college die zou kunnen beoordelen. Hij heeft dit echter niet gedaan, zodat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank merkt daarbij op dat de in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde verplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Dit betekent dat de reden waarom eiser vaker en frequenter bij [naam] was, hoe begrijpelijk ook, niet relevant is voor de beoordeling van de inlichtingenplicht in het kader van de bijstand.
5.5.
Het college was daarom verplicht om de te veel betaalde bijstand terug te vorderen vanwege schending van de inlichtingenplicht. Dit staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw.
5.6.
Zoals de Centrale Raad in Beroep in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw zijn gebaseerd op een belangenafweging. [3] Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
5.7.
Eiser heeft in bezwaar gesteld dat hij vanaf 1 oktober 2023 geen bijstandsuitkering meer heeft en dat er veel schulden zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De rechtbank stelt voorop dat de terugvordering niet is te wijten aan omstandigheden die liggen in de risicosfeer van het college. Verder is niet gebleken dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot het met het bestreden besluit te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat eiser ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen. Dat eiser een schuldenlast heeft leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij weegt mee dat eiser bij de invordering wordt beschermd door de beslagvrije voet. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij inmiddels inkomsten uit arbeid heeft. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat hij het college kan vragen om een betalingsregeling waarbij gevraagd kan worden om rekening te houden met zijn financiële situatie. Van een niet deugdelijke belangenafweging is niet gebleken.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
6. Ter zitting heeft eiser de rechtbank nog verzocht om in deze procedure immateriële schadevergoeding toe te kennen in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. [4]
6.1.
Voor de redelijke termijn geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
6.2.
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van eiser op 28 november 2023 tot de datum van de uitspraak zijn twee jaar en drie maanden (naar boven afgerond) verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van eiser zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Vastgesteld wordt verder dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. De overschrijding is drie maanden (afgerond naar boven) vanaf datum indiening van het beroep 7 mei 2024, zodat dit dient te leiden tot een veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-.
6.3.
Aanleiding bestaat ook om de Staat te veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met indiening van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt met een waarde per punt van € 934,- sinds 1 januari 2026) voor het verzoek.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, behoudens voor zover deze verband houden met indiening van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Eiser krijgt wel een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.BRP = Basisregistratie Personen
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1195.
4.EVRM = Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens