ECLI:NL:RBDHA:2026:19131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Verzoeker diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde verzet in tegen deze uitspraak en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij uitspraak van 8 juli 2026 werd het verzet ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is op 9 juli 2026 gedaan en openbaar gemaakt, en hiertegen staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening in de asielzaak is afgewezen omdat het verzet ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37961

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 23 maart 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de bestuursrechter het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard. [1]
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 8 juli 2026, zaaknummer NL25.55994, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het verzet. Het verzet is ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.