ECLI:NL:RBDHA:2026:19121

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
12150229 EJ VERZ 26-71746
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:432a BWArt. 1:433 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging grond en duur van beschermingsbewind zonder nieuw instellingsverzoek

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de grond van een beschermingsbewind over de goederen van betrokkene. Verzoekster, de beschermingsbewindvoerder, stelde dat de wet niet voorziet in wijziging van de grond of termijn van een tijdelijk bewind naar een bewind voor onbepaalde tijd, en dat daarom een nieuw bewind moest worden ingesteld met recht op extra beloning voor aanvangswerkzaamheden.

De kantonrechter oordeelde dat de wet wel voorziet in wijziging van de omvang en duur van het bewind, en dat het niet nodig is een nieuw bewind in te stellen om de grond of termijn te wijzigen. De rechtbank wees het verzoek tot extra beloning af, omdat de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren dit niet toestaat en aanvangswerkzaamheden alleen bij de start van het bewind worden beloond.

De rechtbank besloot het bewind voort te zetten voor onbepaalde tijd op de grond dat betrokkene vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het verzoek tot wijziging van de grond werd toegewezen, het overige verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het bewind wordt voortgezet voor onbepaalde tijd met gewijzigde grondslag, zonder recht op extra beloning voor aanvangswerkzaamheden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
DO/NK
Zaaknr.: 12150229 EJ VERZ 26-71746
BM 25215
Datum: 9 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter op een verzoek tot wijziging van de grond van de onderbewindstelling
op het verzoek van:

Stichting Veritas Vertegenwoordiging,

postadres: [adres 1] ,
hierna te noemen: verzoekster.
Het verzoek strekt tot wijziging van de grond van de onderbewindstelling van de goederen van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
wonende te [adres 2] ,
hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 20 maart 2026;
  • de reactie van betrokkene;
  • de beschikking van de kantonrechter van 13 mei 2026, waarin het bewind werd verlengd tot 17 juli 2026;
De zaak is behandeld ter zitting van 2 juli 2026. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

Beoordeling

Bij beschikking van 4 mei 2021 van de kantonrechter te Den Haag zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld tot 16 mei 2026 omdat betrokkene als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden niet in staat was ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Bij beschikking van 13 mei 2026 van de kantonrechter is het bewind verlengd tot 17 juli 2026, omdat op dat moment onvoldoende kon worden vastgesteld of een wijziging van de grond moest plaatsvinden en daarvoor eerst een zitting diende te worden bepaald.
Verzoekster heeft het verzoek tot wijziging van de grond als een nieuw verzoek tot instelling van een bewind ingediend.
Aan dit verzoek legt verzoekster, samengevat, het volgende ten grondslag.
Verzoekster is zich ervan bewust dat het niet gebruikelijk is om in plaats van een verzoek om wijziging van de grond een nieuw instellingsverzoek te doen. Verzoekster stelt dat zij hiertoe moet overgaan omdat bij omzetting van bewind voor bepaalde duur op basis van artikel 1:431, eerste lid, sub b, BW naar bewind voor onbepaalde tijdsduur op basis van artikel 1:431, eerste lid, sub a, BW een groot deel van de aanvangswerkzaamheden opnieuw moeten worden verricht. Het gaat daarbij onder andere om het aanleveren van een onderbouwing waarom het bewind noodzakelijk is, het op de hoogte brengen van alle betrokken partijen dat het bewind er is en het meesturen van de nieuwe beschikking, zodat de partijen de gegevens niet verwijderen zodra de in de beschikking aangegeven periode is afgelopen. De wetgever heeft bepaald dat een bewindvoerder voor aanvangswerkzaamheden recht heeft op een extra beloning, naast de reguliere beloning voor zijn werkzaamheden.
De wetgever heeft ervoor gekozen om de grondslagen voor bewind onder te brengen in aparte
artikelleden. Als de wetgever had beoogd om slechts één vorm van bewind te laten bestaan, dan had zij dit onderscheid niet hoeven maken. Dan hadden in één artikel beide grondslagen kunnen worden benoemd. Daarbij had de mogelijkheid alsnog bestaan om bewind voor bepaalde, of onbepaalde duur uit te spreken, zoals nu is verwoord sub a.
In de Kamerstukken 2, 2011/12, 33054, Nr. 3, de Memorie van toelichting bij de wijzigingen van Boek 1 BW, waarbij de grondslag sub b voor beschermingsbewind wordt besproken, benoemt de wetgever de mogelijkheid van het wijzigen van de grondslag van bewind niet. Hieruit leidt verzoekster af dat de wetgever beide grondslagen als andere vormen van bewind heeft willen aanmerken, waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend.
In een situatie als bedoeld in artikel 1:432a, eerste lid BW, verplicht de rechter krachtens het
tweede lid een bewindvoerder binnen drie maanden na de instelling van een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden (sub b) afschrift van de boedelbeschrijving, bedoeld in artikel 436, eerste lid, en een plan van aanpak te zenden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de rechthebbende woonplaats heeft. Krachtens het derde lid, kán de rechter hetzelfde verplichten bij een bewind op grond van sub a als er sprake is van problematische schulden. Er wordt door de wetgever dus onderscheid gemaakt in de verplichtingen van een bewindvoerder op basis van de grondslag van het bewind. Hieruit volgt dat de wetgever de beide grondslagen als andere soorten bewind ziet.
Op basis van het voorgaande meent verzoekster dat bewind op grondslag sub a een ander bewind is dan op basis van sub b. Hieruit volgt dat er een nieuw bewind moet worden aangevraagd, waarbij een vergoeding van de aanvangswerkzaamheden gepast is, krachtens artikel 3, vijfde lid, sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling).
Mocht de kantonrechter deze redenering niet volgen, dan vraagt verzoekster subsidiair om toekenning van extra uren op basis van artikel 3, lid 6, van de Regeling. Nergens in de wettekst van titel 19 van boek 1 BW, de Regeling, of de memorie van toelichting heeft de wetgever voorzien dat de grondslag van bewind tussentijds zou moeten worden gewijzigd. Hieruit volgt dat het om uitzonderlijke omstandigheden gaat. De wetgever heeft wel erkend dat het aanvangen van het bewind extra werkzaamheden met zich meebrengt, die een vergoeding verdienen (artikel 3, vijfde lid, sub a, van de Regeling). Ook in het geval een bewindvoerder voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd, de structuur van een beheer- en leefgeldrekening dus al bestaat en de vaste lasten via die rekening lopen, erkent de wetgever dat een extra beloning gerechtvaardigd is. In dat geval bestaan de werkzaamheden ook in het aanleveren van de onderbouwing van de grondslag van het bewind en het bekendmaken van het bewind bij alle betrokken partijen. Bij het omzetten van de grondslag en meer specifiek, bij het omzetten van een tijdelijk bewind naar een bewind zonder einddatum, verricht verzoekster dezelfde werkzaamheden, namelijk het aanleveren van de onderbouwing voor de wijziging van de grondslag van het bewind en het op de hoogte brengen van alle betrokken partijen dat het bewind is omgezet naar een bewind zonder einddatum.
De gedachte achter het forfaitaire karakter van het beloningsstelsel in de Regeling is het verminderen van administratieve druk bij de rechtbank en de curatoren, bewindvoerders en mentoren, waarbij alle cliënten hetzelfde betalen, ongeacht de afwijkende details van elke afzonderlijke situatie. Daarbij wordt niet een uitgebreide onderbouwing bij elke afzonderlijk verzoek verwacht in vergelijkbare situaties. Gelet op het forfaitaire karakter van de Regeling
verzoekt verzoekster om in dit soort situaties, namelijk het omzetten van bewind voor bepaalde tijd naar bewind voor onbepaalde tijd, 6 uur extra beloning toe te kennen. Hierbij wordt de situatie van artikel 3, vijfde lid, sub a, van de Regeling, waarbij de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd analoog toegepast op deze situatie.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Kort gezegd betoogt verzoekster dat de wet niet voorziet in de wijziging van de grond van een bewind en/of de wijziging van de termijn van een tijdelijk bewind in een bewind voor onbepaalde tijd. Daarom zou een nieuw bewind moeten worden ingesteld, met de daarbij horende beloning voor aanvangswerkzaamheden.
De kantonrechter volgt deze redenering niet. In artikel 1:449, derde lid, BW is voorzien in de mogelijkheid om een tijdelijk bewind te verlengen. Verder voorziet de wet in het wijzigen van de omvang van het bewind (artikel 1:433 , tweede lid, BW) en het uitspreken van een bewind naar aanleiding van een verzoek tot opheffing van de ondercuratelestelling (artikel 1:432, derde lid, BW). De kantonrechter vermag niet in te zien waarom hij niet bevoegd zou zijn om de grond van een lopend bewind te wijzigen en/of de termijn van het bewind te wijzigen en alleen naar aanleiding van een nieuw instellingsverzoek dat resultaat zou kunnen bereiken.
De insteek van verzoekster lijkt met name ingegeven te zijn om bij de wijziging van de grond opnieuw een beloning voor aanvangswerkzaamheden te mogen opnemen (artikel 3, vijfde lid, aanhef en sub a, Regeling beloning CBM). Uit de toelichting bij de Regeling beloning CBM blijkt dat onder aanvangswerkzaamheden wordt verstaan:
“Onder aanvangswerkzaamheden van een bewindvoerder zijn onder meer de volgende intakewerkzaamheden begrepen: het aanvragen van het bewind, de kennismaking, het bijwonen van de instellingszitting, het verzamelen en kennisnemen van stukken, het opstellen van de boedelbeschrijving (inclusief inventarisatie schulden en uitkeringen), alle reguliere werkzaamheden verband houdende met het inkomen en de werkzaamheden van rechthebbende (het aanschrijven van instanties voor bijzondere bijstand, kwijtschelding gemeentelijke lasten en langdurigheidstoeslag, huurtoeslag, zorgtoeslag, uitkeringen), het openen van een bankrekening, de inschrijving in het Kadaster, het aanmaken van een dossier, overleg over het verkopen van de woning en/of de inboedel met het oog op een verhuizing. Daarnaast stelt de bewindvoerder in overleg met de rechthebbende een plan van aanpak op en verstrekt hij de klachtenregeling aan de rechthebbende.“ (Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 13)
Duidelijk is dat het hier om werkzaamheden gaat die te maken hebben met de start van het bewind en de kennismaking met de cliënt. Alleen voor de situatie dat voorafgaand budgetbeheer door dezelfde persoon als de bewindvoerder heeft plaatsgevonden, is een apart tarief opgenomen. De regeling voorziet niet in een extra beloning gedurende het bewind omdat de grond gewijzigd wordt. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om deze beloning “analoog” als een aanvullende beloning bij wijziging van de grond toe te kennen. Dat zou betekenen dat buiten de Regeling om een standaardbeloning wordt gecreëerd voor alle gevallen waarin om wijziging grond en/of verlenging van de maatregel wordt verzocht. Dat staat de Regeling niet toe. Het verzoek zal in zoverre dan ook worden afgewezen.
De bewindvoerder verzoekt om voortzetting van het bewind voor onbepaalde tijd, nu op de grondslag dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Betrokkene is akkoord met het verzoek van de bewindvoerder.
De kantonrechter is, gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat het verzoek in zoverre behoort te worden ingewilligd.
Inmiddels zijn de schulden van betrokkene volledig afgelost. Met ingang van de dag dat er geen problematische schulden meer zijn, is ook de beloning van de bewindvoerder gewijzigd.

Beslissing

De kantonrechter:
- bepaalt dat het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[betrokkene]voornoemd wordt voortgezet voor onbepaalde tijd op de grondslag dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen;
- bepaalt dat het bewind ingeschreven blijft, althans opnieuw wordt ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister, met de gewijzigde grondslag van het bewind;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. de Loor, kantonrechter, in samenwerking met N.A. Kruiskamp, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.