ECLI:NL:RBDHA:2026:19067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL25.59619
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende medische zorg in Ivoorkust

Eiser heeft op 31 juli 2023 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn medische situatie niet kan reizen en dat de noodzakelijke medische zorg in Ivoorkust niet beschikbaar of feitelijk toegankelijk is.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser kan reizen onder bepaalde reisvereisten, gebaseerd op meerdere BMA-adviezen. Deze reisvereisten omvatten onder meer begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en overdracht van medische gegevens.

Echter, de rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke medische behandeling voor eiser daadwerkelijk beschikbaar is in Ivoorkust. Eiser heeft met e-mails van medische instellingen aannemelijk gemaakt dat de benodigde zorg en medicatie vaak niet beschikbaar zijn en dat de kosten hoog zijn. De minister heeft dit niet weerlegd en heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar andere mogelijke zorglocaties.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het uitstel van vertrek wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de beschikbaarheid van noodzakelijke medische zorg in Ivoorkust.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59619

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Zo voert eiser aan dat hij vanwege zijn medische situatie niet in staat is om te reizen. Verder voert hij aan dat de medische zorg die hij nodig heeft in Ivoorkust niet beschikbaar is en niet feitelijk toegankelijk. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de zorg die eiser nodig heeft beschikbaar is in Ivoorkust. Eiser krijgt gedeeltelijk gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staat een beschrijving van het besluit waarin de aanvraag van eiser is afgewezen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden zoals hiervoor vermeld. Onder 6. staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 juli 2023 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verder heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
In de uitspraak van 10 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser toegewezen. Er is bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof hij zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw totdat op het beroep is beslist. [1]
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Diaby als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw afgewezen en houdt hieraan vast. Volgens de minister is eiser in staat om te reizen, onder bepaalde reisvereisten, en is de medische noodzakelijke zorg voor eiser in Ivoorkust beschikbaar en feitelijk toegankelijk. De minister baseert zich hiervoor op meerdere (aanvullende) BMA-adviezen van de volgende data: 23 november 2023, 30 mei 2025, 7 juli 2025, 19 november 2025 en 9 april 2026. [2]
Kan eiser reizen?
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op grond van de BMA-adviezen op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser kan reizen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.1.
De minister heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd om zich uit te laten over de situatie van eiser. Het BMA heeft advies uitgebracht en heeft de medische stuken betrokken die eiser heeft ingediend. Uit de BMA-adviezen volgt dat eiser kan reizen onder bepaalde reisvereisten. Zo kan eiser alleen reizen onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige. Ook moet in Ivoorkust een fysieke overdracht naar een psycholoog of psychiater worden geregeld. Daarnaast wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, dat medicatie tijdens de reis wordt voortgezet en dat voldoende medicatie wordt meegenomen om de periode van de reis te overbruggen.
4.2.
Met het opvragen van de BMA-adviezen en de toezegging over het uitvoeren van de daarin vastgestelde reisvereisten, heeft de minister de mogelijk gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser voldoende gemotiveerd weggenomen. [3] Daarbij is relevant dat het BMA de door eiser ingediende medische stukken heeft betrokken bij het advies en de daarin gestelde reisvereisten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het BMA vastgestelde reisvereisten niet zullen volstaan of dat daaraan niet kan of zal worden voldaan. Ook de medische verklaring van PsyValens van 7 april 2026 – die niet door het BMA is beoordeeld – biedt daarvoor onvoldoende aanleiding. Dit stuk gaat namelijk niet in op de reisvereisten en toont niet aan dat sprake is van aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden.
Is de voor eiser medische noodzakelijke behandeling beschikbaar in Ivoorkust?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op grond van de BMA-adviezen niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de medische noodzakelijke behandeling voor eiser in Ivoorkust beschikbaar is. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.1.
De minister (en het BMA) gaat uit van de volgende situatie. Eiser heeft PTSS en een ernstige depressieve stoornis. Hij heeft last van angsten, herbeleving, nachtmerries, vermijdingsgedrag, sociaal terugtrekgedrag, ernstige ontregeling bij afwijken van routines en somberheid. Verder vindt er nog diagnostiek plaats in verband met een vermoede autismespectrumstoornis. Eiser staat voor zijn klachten onder behandeling bij PsyValens. De behandeling bestaat uit psycho-educatie, EMDR en medicatie (topiramaat, zolpidem en mirtazepine).
5.2.
Uit de BMA-adviezen volgt dat de zorg die eiser nodig heeft beschikbaar is in Ivoorkust. Klinische en poliklinische behandeling door een psychiater en psycholoog en gedwongen opname zijn onder andere aanwezig bij het [medische instelling] , [locatie] , [plaats 1] . De medicatie is aanwezig in onder andere Longchamp Laboratory and Pharmacy in [plaats 1] .
5.3.
Eiser heeft contact gehad met het [medische instelling] . In een e-mail van 15 januari 2026 laat een arts weten dat het ziekenhuis niet uitgerust is om patiënten met psychische aandoeningen te behandelen. Hij verwijst eiser naar het [instelling] van [plaats 2] . Ook met dit centrum heeft eiser contact gehad. Een bij dit centrum werkzame arts laat in een e-mail van 20 januari 2026 weten dat de medicijnen die eiser krijgt speciaal zijn en over het algemeen erg moeilijk verkrijgbaar zijn in [plaats 1] , ook in het [instelling] . De medicijnen zijn meestal niet op voorraad. Verder wordt door de arts meegedeeld dat de kosten van de medicijnen en zorg doorgaans niet gedekt worden door de publieke ziektekostenverzekering in Ivoorkust. Alleen particuliere verzekeringen kunnen mogelijk een deel van deze kosten vergoeden. Voor de medicatie die eiser nodig heeft schat de arts de kosten op € 30,- per week plus € 22,50 per twee weken. Daarbij merkt de arts op dat de totale behandelingskosten hoger kunnen uitvallen. Tot slot merkt de arts op dat gelet op de noodzaak van een voortgezette psychiatrische behandeling een terugkeer naar Ivoorkust medisch alleen verantwoord is als eiser in staat is om alle zorgkosten zelf te dragen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de e-mails van 15 en 20 januari 2026 aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de beschikbaarheid van de in Ivoorkust aanwezige psychische zorg en medicatie. Met de door hem overgelegde informatie heeft eiser ontzenuwd dat de noodzakelijke behandeling voor hem aanwezig is in Ivoorkust. De opmerking van de minister in het verweerschrift dat het, kort samengevat, onduidelijk is of de e-mails ‘echt’ zijn, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft dit – niet nader onderbouwde – standpunt pas een week voor de zitting ingenomen, terwijl het op zijn weg lag om daar onderzoek naar te doen als hij daarover twijfel had. De minister stelt dat de noodzakelijke behandeling wel beschikbaar is,
onder anderebij het [medische instelling] . Volgens de minister heeft het BMA deze plek als voorbeeld genoemd van een instelling waar een bepaalde behandeling beschikbaar is. Er zijn ook andere instellingen waar de behandeling beschikbaar is, aldus de minister. Dit standpunt van de minister maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het staat voor de rechtbank vast dat de noodzakelijke medische behandeling voor eiser niet beschikbaar is bij het [medische instelling] , omdat eiser dit aannemelijk heeft gemaakt en de minister dit niet heeft weerlegd. Het is op dit moment niet duidelijk waar de noodzakelijke behandeling voor eiser wel aanwezig is in Ivoorkust. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals onder 5.3. is vermeld, eiser ook bij een andere plek (het [instelling] van [plaats 2] ) heeft geïnformeerd naar de beschikbaarheid van de noodzakelijk behandeling. Ook op die plek is de beschikbaarheid van de noodzakelijke medische behandeling (de medicatie) meestal niet op voorraad. Gelet op eisers medische gesteldheid en de noodzaak om de behandeling voort te zetten, moet de zekerheid er zijn dat de behandeling kan worden voortgezet. Die zekerheid is er nu niet. Met de door eiser overgelegde informatie had het op de weg van de minister gelegen om het BMA te vragen op welke andere plekken – dan het [medische instelling] – de noodzakelijke medische behandeling aanwezig is. Ook had de minister aan het BMA moeten vragen in te gaan op de door eiser overgelegde brief van 20 januari 2026 van dr. [naam] en op de vraag of de noodzakelijke medicatie voortdurend beschikbaar is voor eiser – in afwijking van wat in die brief is vermeld.
5.5.
Zoals in 5.1. staat, gaat de minister (en het BMA) uit van een situatie dat voor eiser diagnostiek plaatsvindt omtrent een mogelijke autismespectrumstoornis. Op 14 april 2026 heeft eiser een nieuwe medische verklaring van PsyValens van 7 april 2026 ingediend. Die nieuwe verklaring gaat met name hierop in. In de verklaring is te lezen dat bij eiser sprake is van ernstige en complexe psychiatrische problematiek bestaande uit PTSS, een depressieve stoornis en kenmerken passend bij een autismespectrumstoornis (ASS). In de verklaring wordt toegelicht hoe de aanwezige kenmerken passend bij ASS invloed hebben op het beloop van eisers psychiatrische aandoeningen, het een complicerende factor is in de behandeling van PTSS en depressie én dat het samenstel van de klachten een complex en hoog-risicoprofiel vormen. Dit stuk is nog niet beoordeeld door de minister (en het BMA). Als de minister er bij de uitvoering van deze uitspraak voor kiest om nader te motiveren dat de noodzakelijke medische behandeling voor eiser in Ivoorkust aanwezig is, moet de minister ook deze verklaring van PsyValens hierbij betrekken. De rechtbank roept hierbij in herinnering dat in het aanvullende BMA-advies van 9 april 2026 is vermeld dat het oorspronkelijke advies van 30 mei 2025 inmiddels verouderd is.
5.6.
Nu de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de noodzakelijk zorg voor eiser in Ivoorkust beschikbaar is, laat de rechtbank zich niet uit over de vraag of de noodzakelijke zorg voor eiser feitelijk toegankelijk is. Die vraagt komt pas aan de orde als vaststaat dat de zorg beschikbaar is. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de noodzakelijk medische zorg voor eiser beschikbaar is in Ivoorkust. Dit betekent dat het besluit geen stand houdt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat er mogelijk nieuw onderzoek moet plaatsvinden en informatie moet worden ingewonnen bij het BMA. Dit is ook de reden waarom de rechtbank de minister niet opdraagt om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 december 2025;
- draagt de minister op binnen zes na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Waar staat ‘BMA-adviezen’ moet worden begrepen de vijf BMA-adviezen in onderling samenhang bezien. Het laatste advies is ongedateerd. Uit de context en de datum waarop het document in het dossier is toegevoegd leidt de rechtbank af dat het advies van 9 april 2026 moet zijn geweest.
3.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1595)
4.Zie hiervoor ro. 4.1. van de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:390).