ECLI:NL:RBDHA:2026:9967
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud opvang en verstrekkingen op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoeker heeft op 31 juli 2023 een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister is afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar en het instellen van beroep, verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om tijdens de beroepsprocedure recht te houden op opvang en verstrekkingen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de voorziening, mede vanwege een brief van het COA waarin staat dat verzoeker per 11 maart 2026 de opvang moet verlaten. De medische situatie van verzoeker, waaronder ernstige PTSS, depressie en ASS, zoals onderbouwd door brieven van PsyValens en een BMA-rapport, maakt het beëindigen van de opvang medisch onverantwoord.
De belangenafweging leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening, waarbij verzoeker wordt behandeld alsof artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt verzoeker vrijgesteld van griffierecht en wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld alsof artikel 64 Vreemdelingenwet op hem van toepassing is en behoudt recht op opvang en verstrekkingen tot uitspraak op het beroep.