ECLI:NL:RBDHA:2026:19057

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/689046 en C/09/689117
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:62 BWArt. 6:162 BWArt. 4:81 BWArt. 4:82 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens onrechtmatige onttrekkingen aan nalatenschap en weigering legitieme portie

De rechtbank Den Haag behandelde twee zaken waarin [partij A] en [partij C], beiden onterfd door hun ouders, een beroep deden op hun legitieme portie. Zij stelden dat hun zus [partij B] onrechtmatig geld had onttrokken uit het vermogen van hun ouders, waardoor de nalatenschap onvoldoende was om hun legitieme porties te voldoen.

Uit het strafrechtelijk onderzoek bleek dat [partij B] aanzienlijke bedragen had opgenomen, overgeboekt en besteed, waarvan niet kon worden vastgesteld dat deze ten goede kwamen aan de erflaters. [partij B] kon dit niet overtuigend weerleggen en beriep zich op haar volmacht, maar gaf geen concrete toelichting op de transacties.

De rechtbank oordeelde dat [partij B] onrechtmatig had gehandeld en stelde de schade vast op respectievelijk € 47.370,77 voor [partij A] en € 38.370,77 voor [partij C]. Daarnaast werd [partij B] veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De vorderingen tot afgifte van persoonlijke goederen werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van bezit door [partij B].

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [partij B] tot betaling van schadevergoeding aan [partij A] en [partij C] wegens onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen van erflaters.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak- en rolnummers:
zaak 1: C/09/689046 / HA ZA 25-653
zaak 2: C/09/689117 / HA ZA 25-657
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak (zaak 1) van:
[partij A]wonende op een geheim adres,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. D.B. den Hartog,
tegen
[partij B]te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaten: mrs. S.W. Autar-Matawlie, S.J. Hasselaar-Veltkamp en M. van Veen-Oudenaarden,
en in de zaak (zaak 2) van:
[partij C]te [woonplaats 2] ,
eiser in conventie,
hierna te noemen: [partij C] ,
advocaat: mr. W.J. van der Kroon,
tegen
[partij B]te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaten: mrs. S.W. Autar-Matawlie, S.J. Hasselaar-Veltkamp en M. van Veen-Oudenaarden.

1.Waar gaan deze zaken over?

[partij A] en [partij C] zijn beiden onterfd door hun ouders. Zij hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie. Zij beschuldigen hun zus [partij B] ervan dat zij onrechtmatig bedragen heeft onttrokken aan het vermogen van haar ouders waardoor de nalatenschap van moeder geen verhaal biedt voor het uitbetalen van de legitieme porties aan [partij A] en [partij C] . Zij willen dat [partij B] de schade die zij hierdoor lijden aan hen vergoedt. [partij B] stelt zich op het standpunt dat de bedragen die zij heeft opgenomen ten goede zijn gekomen aan de ouders van partijen en dat er dus geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen.

2.Procedures

2.1.
Het procesdossier in zaak 1 bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van [partij A] van 18 juli 2025, met producties 1 tot en met 20;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van [partij B] , met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van [partij A] ;
  • de akte aanvullende producties (21 tot en met 26) tevens eiswijziging.
2.2.
Het procesdossier in zaak 2 bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van [partij C] van 22 juli 2025, met producties 1 tot en met 9;
  • de incidentele vordering tot voeging van procedures van [partij C] ;
  • de conclusie van antwoord in incident van [partij B] ;
  • het vonnis in incident van 24 september 2025 waarbij zaak 2 is gevoegd met zaak 1;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van [partij B] , met producties 1 tot en met 4 (dezelfde conclusie van antwoord als in zaak 1).
2.3.
Op 19 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de beide zaken plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

3.De feiten in zaak 1 en 2

3.1.
Op [datum 1] 2015 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Erflater is tot zijn overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Zij is overleden op [datum 2] 2021. Uit het huwelijk van erflaters zijn vier kinderen geboren: [partij C] , [partij B] , [partij A] en [naam 1] . [naam 1] is overleden op [datum 3] 2004. Hij heeft geen afstammelingen nagelaten.
3.2.
Bij notariële akte van 27 december 2013 hebben erflater en erflaatster [partij B] aangesteld als hun algemeen gevolmachtigde in de zin van artikel 3:62 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.3.
In januari 2014 kreeg erflater een herseninfarct.
3.4.
Erflater en erflaatster hebben ieder bij afzonderlijk testament van 3 november 2014 over hun nalatenschap beschikt. Zij hebben [partij C] en [partij A] en hun afstammelingen uitdrukkelijk onterfd.
3.5.
Erflaters zijn in de zomer van 2014 vanuit [plaats 1] verhuisd naar een appartement behorende bij woonzorgcentrum [woonzorgcentrum] in [plaats 2] . Na het overlijden van erflater heeft erflaatster daar tot juli 2017 zelfstandig gewoond. Nadien is erflaatster overgeplaatst naar een gesloten afdeling van diezelfde zorginstelling.
3.6.
[partij B] en erflaatster waren de enige erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. [partij C] en [partij A] hebben bij brief van 19 januari 2017 een beroep gedaan op hun legitieme portie. Deze legitieme portie was eerst opeisbaar bij het overlijden van erflaatster.
3.7.
Mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) was executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflater. Zij heeft vastgesteld dat de gezamenlijke huwelijksgemeenschap op de overlijdensdatum van erflater € 134.829,00 bedroeg, waarvan de helft aan erflater kon worden toegerekend. Na aftrek van begrafeniskosten ten bedrage van € 7.144,00 resteerde een nalatenschap ten bedrage van € 60.270,00. [naam 2] heeft tevens een overzicht gemaakt waaruit blijkt welke bedragen in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater zijn geschonken. Hieruit blijkt dat erflater een bedrag van in totaal € 47.184,00 heeft geschonken, waarvan een bedrag van € 9.000,00 aan [partij C] .
3.8.
Op 30 september 2020 heeft de kantonrechter het vermogen van erflaatster onder bewind gesteld en is een mentorschap ten behoeve van erflaatster ingesteld. Stichting CAV is tot bewindvoerder en mentor benoemd.
3.9.
Op de overlijdensdatum van erflaatster stond nog € 8.210,59 op haar bankrekeningen. Na aftrek van begrafeniskosten kende de nalatenschap een negatief saldo.
3.10.
[partij B] was de enige erfgenaam van erflaatster. Zij heeft de nalatenschap van erflaatster verworpen. Ook haar zoon en kleinkinderen hebben de nalatenschap van erflaatster verworpen.
3.11.
[partij A] en [partij C] hebben op 10 mei 2022 aangifte van verduistering gedaan tegen [partij B] (en haar echtgenoot). Vervolgens is het openbaar ministerie (hierna: het OM) een strafrechtelijk onderzoek gestart waarbij uitgebreid financieel onderzoek is gedaan. Naar aanleiding hiervan is [partij B] aangemerkt als verdachte van verduistering en witwassen. Het OM is na analyse van het strafdossier tot de conclusie gekomen dat een bedrag van € 15.060,96 ten aanzien van [partij B] onder de delictsomschrijving verduistering valt en een bedrag van € 75.000 onder de delictsomschrijving witwassen. Het feit witwassen is door het OM geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Op 19 april 2024 heeft een OM-hoorzitting plaatsgevonden met betrekking tot de verduistering van € 15.060,96. Aan [partij B] is een strafbeschikking opgelegd in de vorm van een taakstraf van 80 uur. [partij B] heeft deze strafbeschikking geaccepteerd. Zij heeft geen verzet ingesteld.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] vordert in zaak 1 in conventie bij vonnis – samengevat en na wijziging van eis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. te verklaren voor recht dat het saldo van de nalatenschap van erflater
€ 107.454,00 bedraagt;
II. de omvang van de legitimaire massa in de nalatenschap van erflater vast te stellen op € 107.454,00 en de legitieme portie van [partij A] op € 13.432,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster;
III. [partij B] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de legitieme portie van € 13.432,00 aan [partij A] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
IV. te verklaren voor recht dat [partij B] onrechtmatig heeft gehandeld door (i) misbruik van volmacht en/of (ii) het doen van betalingen/opnamen vanaf rekeningen van erflater en/of erflaatster ten bate van zichzelf en/of aan haar gelieerde derden, althans door op andere wijze gelden aan het vermogen van erflater en erflaatster te onttrekken;
V. [partij B] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 39.700,00 aan [partij A] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster tot aan de dag van volledige betaling;
VI. [partij B] te bevelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de volgende goederen en bescheiden aan [partij A] af te geven:
a. de originele diploma’s van [partij A] ;
b. de originele geboorteakte van mevrouw [naam 3] ; en
c. de Chinese kist van erflater, althans de zich daarin bevindende diploma’s, geboorteakten en andere persoonlijke bescheiden,
althans haar te bevelen om binnen die termijn schriftelijk en controleerbaar opgave te doen van de verblijfplaats van genoemde goederen en bescheiden, alsmede van de persoon die deze onder zich heeft, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [partij B] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
subsidiair
VII. te verklaren voor recht dat iedere betaling of opname door [partij B] , opgenomen in het proces-verbaal (productie 14), onverschuldigd is verricht;
VIII. [partij B] te veroordelen om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 53.131,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 of vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
IX. [partij B] te veroordelen tot terugbetaling van alle betalingen en opnames die onverschuldigd zijn verricht, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
X. [partij B] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [partij A] te betalen een bedrag van € 13.432,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
meer subsidiair
XI. te verklaren voor recht dat iedere betaling of opname door [partij B] , zoals opgenomen in het proces-verbaal dat als productie 17 in het geding is gebracht, onrechtmatig, althans onverschuldigd, is verricht;
XII. [partij B] te veroordelen om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 53.131,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017, of vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
XIII. voor zover uit nadere beoordeling van de rekeningstromen of de overgelegde stukken blijkt van aanvullende onttrekkingen of onverschuldigde opnamen, [partij B] te veroordelen tot vergoeding van die nadere schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
primair en (meer) subsidiair
XIV. [partij B] te veroordelen om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de beslagkosten ten bedrage van € 1.974,00 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
XV. [partij B] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[partij C] vordert in zaak 2 in conventie bij vonnis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[partij B] te veroordelen om aan [partij C] te betalen een bedrag van € 8.931,25 ter zake zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflater, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
[partij B] te veroordelen om aan [partij C] te betalen een bedrag van € 39.691,20 ter zake zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
[partij B] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
[partij B] voert in beide zaken verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] en [partij C] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] en [partij C] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
[partij B] vordert in reconventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- te bepalen dat de beslagen ten laste van [partij B] zijn opgeheven;
subsidiair
- [partij A] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, alle door haar ten laste van [partij B] gelegde conservatoire beslagen op te heffen, opgeheven te houden en geen nieuwe beslagen te leggen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 en € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt.
4.5.
[partij A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van haar reconventionele vorderingen, met veroordeling van [partij B] in de kosten en de nakosten van deze procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
[partij A] en [partij C] vorderen, kort gezegd, dat [partij B] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Primair baseren zij hun vordering op artikel 6:162 BW Pro.
5.2.
[partij A] en [partij C] hebben hieraan ten grondslag gelegd dat [partij B] misbruik heeft gemaakt van de volmacht die erflaters aan haar hebben verleend, door zich geld van erflaters ten eigen bate toe te eigenen. Het vermogen van erflaatster was hierdoor nihil op het moment dat zij overleed, waardoor [partij A] en [partij C] hun rechten als legitimarissen en schuldeisers van de nalatenschap van erflaatster niet meer hebben kunnen uitoefenen.
5.3.
[partij B] betwist niet dat het vermogen van erflaatster gedurende de laatste jaren van haar leven aanzienlijk is afgenomen, maar zij stelt zich op het standpunt dat zij hiervoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Zij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat alle transacties vanaf de rekeningen van erflaters hebben plaatsgevonden met hun instemming en dat deze telkens aan hen ten goede zijn gekomen.
Het strafrechtelijk onderzoek
5.4.
[partij A] en [partij C] baseren hun stellingen grotendeels op informatie die uit het strafrechtelijk onderzoek tegen [partij B] naar voren is gekomen. De politie heeft uitgebreid financieel onderzoek gedaan waarbij de transactiegegevens van de bankrekeningen van erflaters en de transactiegegevens van de bankrekeningen van [partij B] en haar echtgenoot tegen het licht zijn gehouden. Tevens is er onderzoek ingesteld naar de wijze waarop erflaters hebben geleefd, is geïnventariseerd waaruit hun maandelijkse inkomsten en vaste lasten bestonden en is uitgezocht door wie en op welke wijze zij zijn verzorgd. Het financieel onderzoek strekte zich uit van 27 maart 2013 (enige maanden voordat erflaters [partij B] een algemene volmacht hebben verleend) tot en met 29 juni 2021(een maand na het overlijden van erflaatster).
5.5.
Uit het procesdossier van het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat in de onderzoeksperiode contante geldopnames van de bankrekeningen van erflaters hebben plaatsgevonden met een totale omvang van € 69.700,00.
5.6.
Tevens is er in die periode per saldo een bedrag van in totaal € 99.154,98 overgeboekt van de bankrekeningen van erflaters naar de bankrekeningen van [partij B] . Hierbij is in het strafrechtelijk onderzoek specifiek aandacht besteed aan drie transacties op 30 maart 2014 met een totale omvang van € 75.000 zonder nadere omschrijving. Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat vervolgens van de bankrekening van [partij B] betalingen zijn gedaan die divers van aard zijn. .
5.7.
Tot slot heeft de politie binnen de onderzoeksperiode onderzoek gedaan naar de pinbetalingen die vanaf de bankrekeningen van erflaters zijn gedaan. Op 3 februari 2023 is [partij B] door de politie verhoord als verdachte over onder meer deze pintransacties. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat de politie specifiek de volgende pintransacties aan [partij B] heeft voorgehouden:
Alila Hair € 4.247,55
diverse bloemenwinkels € 8.793,53
diverse restaurants € 12.261,70
diverse drankenwinkels € 911,14
diverse printbedrijven € 509,01
diverse supermarkten € 12.398,22
warenhuizen (waaronder Babypark Gouda en Zwanger&Co) € 1.913,76
diverse winkels € 8.897,49
diverse schoonheidssalons € 5.150,00
zonnebanken € 161,23
benzinestations € 6.528,34
diverse bouwmarkten € 587,68
Totaal € 62.359,65
5.8.
[partij B] heeft niet geantwoord op vragen die de politie naar aanleiding van deze pintransacties heeft gesteld. Zij heeft zich beroepen op haar zwijgrecht.
5.9.
Op basis van de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek stellen [partij A] en [partij C] stellen zich op het standpunt dat [partij B] in totaal een bedrag van € 231.214,65 (€ 69.700 aan pinopnames + € 99.154,98 aan overboekingen + € 62.359,65 aan pintransacties) heeft onttrokken aan het vermogen van erflaters.
Onrechtmatige onttrekkingen? Ja.
5.10.
Beoordeeld moet worden of [partij B] het bedrag van € 231.214,65 onrechtmatig aan het vermogen van erflaters heeft onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Zij zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
5.11.
De rechtbank stelt voorop dat [partij B] niet heeft weersproken dat zij betrokken is geweest bij de door [partij A] en [partij C] opgesomde transacties. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de genoemde bedragen door [partij B] zijn opgenomen, overgeboekt of betaald.
5.12.
De vraag is of [partij B] hiermee heeft gehandeld binnen de door erflaters aan haar verleende volmacht en of alle transactie ten gunste van erflaters zijn verricht. Volgens [partij B] is dit het geval. Zij stelt zich op het standpunt dat elke transactie met instemming van erflaters is verricht en dat alle transacties aan hen ten goede zijn gekomen.
5.13.
De rechtbank is het met [partij A] en [partij C] eens dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek veel vragen oproept, die [partij B] desgevraagd niet heeft beantwoord. Zo blijkt uit het strafdossier dat er in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 69.700,00 aan contanten van de rekeningen van erflaters is opgenomen, terwijl niet blijkt wie de feitelijke begunstigde van deze contante geldopnamen is geweest. Hierbij acht de rechtbank relevant dat er naast de contante opnames veel betalingen met de pinpas van erflaters werden verricht wat erop wijst dat er geen sprake was van een vaste handelswijze waarbij aankopen werden gefinancierd door het doen van contante betalingen. Op de vraag waaraan de opgenomen contanten dan wel zijn besteed, heeft [partij B] desgevraagd geen sluitend antwoord kunnen geven. Zij heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat de schoonmaakster van erflaters contant werd betaald, maar dat hiermee een bedrag van in totaal € 69.700,00 gemoeid is geweest, acht de rechtbank zeer onwaarschijnlijk. Daar komt bij dat er ook contant geld is opgenomen in de periode dat erflaatster op een gesloten afdeling verbleef en er geen gebruik werd gemaakt van de diensten van een schoonmaakster.
5.14.
[partij B] heeft evenmin een antwoord gegeven op de vraag op welke wijze de door [partij C] en [partij A] benoemde pintransacties ten bedrage van € 62.359,65 ten goede zijn gekomen aan erflaters. Hierbij is relevant dat de aard van de pintransacties twijfels meebrengt dat deze alle ten gunste zijn gekomen van erflaters. Het ging immers onder meer om pinbetalingen bij een kapper in Den Haag, schoonheidssalons, supermarkten, restaurants, bloemenwinkels, bouwmarkten en babywinkels in de periode van 2013 tot en met 2021. Volgens [partij B] ging het hierbij om uitgaven die pasten binnen het normale uitgavenpatroon van erflaters, maar zij heeft deze stelling onvoldoende concreet toegelicht. Bovendien maakt het strafdossier er melding van dat uit het onderzoek is gebleken dat de afspraken die waren gemaakt bij de kapper Alila Hair voor [partij B] zelf waren
..Dat de pintransacties die na juli 2017 zijn verricht ten goede zijn gekomen aan erflaatster, acht de rechtbank ook zeer onwaarschijnlijk. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat erflaatster vanaf juli 2017 op een gesloten afdeling verbleef, waarbij eten en drinken werd verzorgd door de zorginstelling, terwijl personeel van deze zorginstelling in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat i) erflaatster nauwelijks door [partij B] mee werd genomen buiten het verzorgingshuis, ii) erflaatster nooit beschikte over contant geld, iii) [partij B] moeilijk deed over een bijdrage voor activiteiten voor erflaatster en iv) versleten kleding van erflaatster niet door [partij B] werd vervangen waardoor erflaatster een armoedige indruk maakte
.In het licht van deze verklaring had het op de weg van [partij B] gelegen om toe te lichten waarom er in deze periode toch pintransacties ten behoeve van erflaatster hebben plaatsgevonden. Dat heeft zij echter niet gedaan.
5.15.
[partij B] heeft er nog wel op gewezen dat veruit de meeste pintransacties zijn verricht in de periode voordat erflaatster werd opgenomen op de gesloten afdeling. Zij heeft echter niet toegelicht en aangetoond dat de betreffende pintransacties, verricht in de periode vóór juli 2017, ten goede zijn gekomen aan erflaatster.
5.16.
Verder heeft [partij B] erop gewezen dat uit de brief van 26 april 2024 van het OM aan mr. Ficq (die namens [partij A] en [partij C] aangifte tegen [partij B] heeft gedaan) dat zij slechts strafrechtelijk is veroordeeld voor verduistering van een bedrag van € 15.060,96. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [partij B] in ieder geval een bedrag van €15.060,96 onrechtmatig aan het vermogen van erflaters heeft onttrokken. De rechtbank leest in deze brief van het OM echter ook dat het OM de feiten gepleegd vóór 14 december 2016 buiten beschouwing heeft gelaten omdat deze in strafrechtelijke zin verjaard waren. Uit het strafdossier kan echter worden opgemaakt dat in de periode vóór 14 december 2016 vergelijkbare financiële transacties zijn verricht als in de periode ná 14 december 2016 en dat de politie al deze transacties in het financieel onderzoek als verdacht/onverklaarbaar heeft aangemerkt in die zin dat kan worden aangenomen dat die niet geheel ten bate van erflaters zijn gekomen. [partij B] heeft in deze procedure ten aanzien van deze ‘verjaarde feiten’ niet concreet toegelicht dat het gaat om transacties die wel ten goede zijn gekomen aan erflaters.
5.17.
Tot slot heeft [partij B] ook niet toegelicht op welke wijze de naar haar rekeningen overgeboekte bedragen – per saldo een bedrag van € 99.154,98 – ten goede zijn gekomen aan erflaters. Op de vraag van de rechtbank waarom zij rekeningen van erflaters niet rechtstreeks van hun eigen bankrekeningen betaalde, heeft zij geen duidelijk antwoord gegeven. Hierbij acht de rechtbank relevant dat allerlei andere vaste lasten van erflaters – waaronder huurbetalingen, betalingen aan het CAK en termijnbetalingen aan nutsbedrijven en telecombedrijven – wel vanaf hun eigen bankrekeningen werden betaald. Bovendien is het opmerkelijk dat [partij B] op 30 maart 2014 drie maal een bedrag van € 25.000,00 zonder nadere omschrijving heeft overgeboekt van de rekening van erflaters naar haar eigen rekening. [partij B] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet meer weet waaraan zij dit bedrag heeft besteed, maar dat het OM haar niet verder heeft vervolgd wegens de verdenking van witwassen van dit bedrag.
5.18.
De rechtbank begrijpt uit de eerder genoemde brief van het OM aan mr. Ficq dat het OM op 5 december 2023 een brief van de advocaat van [partij B] heeft ontvangen met een overzicht van uitgaven die na het overmaken van het bedrag van € 75.000,00 ten behoeve van erflaters zouden zijn gedaan. Hierbij zou het gaan om een bedrag van ruim € 28.000,00 aan advocaatkosten en om uitgaven ten behoeve van de verzorging, de verkoop van de woning en de verhuizing van erflaters naar Den Haag. Omdat het OM tien jaar later niet meer kon onderzoeken of deze uitgaven onder de gegeven volmacht vielen, heeft het OM [partij B] niet verder vervolgd voor het witwassen van € 75.000,00. [partij B] heeft het hiervoor bedoelde overzicht van uitgaven in deze procedure echter niet in het geding gebracht en zij heeft haar stelling dat de uitgaven die zij met de naar haar rekening overgeboekte bedragen heeft gedaan ten goede zijn gekomen aan erflaters ook niet nader toegelicht of onderbouwd.
5.19.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat [partij B] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door [partij A] en [partij C] gestelde vermindering van het vermogen van erflaatster. [partij A] en [partij C] hebben hun stelling dat [partij B] onrechtmatig bedragen aan het vermogen van erflaters heeft onttrokken uitgebreid gemotiveerd en met bewijsstukken – waaronder het strafdossier – onderbouwd. Het had daarom op de weg van [partij B] gelegen om deze stelling van [partij A] en [partij C] te ontkrachten. Zoals hiervoor al is overwogen, is [partij B] daarin niet geslaagd. Haar betwisting is van onvoldoende gewicht. Zij blijft bij haar standpunt dat zij binnen de verleende volmacht heeft gehandeld, maar zij heeft dit niet toegelicht. Zij stelt dat zij niet meer weet hoe zij erflaters heeft geholpen bij hun financiële zaken en waaraan zij de – soms aanzienlijke – onttrokken bedragen heeft besteed. Hierbij merkt de rechtbank op dat uiteraard niet van [partij B] kan worden verwacht dat zij een verklaring heeft voor iedere transactie, maar zij had wel een algemeen beeld kunnen scheppen van de wijze waarop zij de financiën voor erflaters heeft verzorgd. Ook dat heeft [partij B] nagelaten. Zij heeft op geen enkele wijze concreet gemaakt hoe zij erflaters in financieel opzicht heeft bijgestaan en op welke wijze de vele onverklaarbare transacties ten goede zijn gekomen aan erflaters. Bij die stand van zaken oordeelt de rechtbank dat [partij B] zich als gevolmachtigde heeft gedragen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gelet op alle omstandigheden van het geval – waaronder ook de broze gezondheid van erflater in de laatste fase van zijn leven, de onervarenheid van erflaatster op financieel gebied en de omstandigheid dat erflaatster gedurende de laatste jaren van haar leven op een gesloten afdeling van een zorginstelling verbleef – kan deze onrechtmatigde daad aan [partij B] worden toegerekend.
Een onrechtmatige daad jegens [partij A] en [partij C] ? Ja
5.20.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] door onrechtmatig geld aan het vermogen van erflaters te onttrekken ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en [partij C] .
Doordat de nalatenschap van erflaatster door toedoen van [partij B] een negatief saldo heeft, lijden [partij A] en [partij C] als legitimarissen en schuldeisers van die nalatenschap financiële schade. De norm die [partij B] heeft geschonden kan worden geacht te strekken tot bescherming van de schade die [partij A] en [partij C] hebben geleden. [1]
De omvang van de schade
5.21.
Vervolgens zal de rechtbank de schade van [partij A] en [partij C] vaststellen. [partij A] en [partij C] stellen dat de door hen geleden schade bestaat uit twee componenten. Als eerste gaat het om de schade die zij hebben geleden omdat de legitieme portie in de nalatenschap van erflater niet meer uit de nalatenschap van erflaatster aan hen kan worden voldaan. De tweede schadepost betreft de schade omdat hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster door het handelen van [partij B] nihil is en zij daarom niets ontvangen uit die nalatenschap.
Schadepost 1 – de legitieme portie in de nalatenschap van erflater
5.22.
[partij A] en [partij C] stellen dat voor het saldo van de nalatenschap van erflater en de berekening van de hoogte van hun legitieme porties moet worden uitgegaan van het boedeloverzicht dat executeur [naam 2] heeft opgesteld. Hieruit volgt dat het saldo van de nalatenschap van erflater € 60.270,00 bedroeg. Uit het eveneens door [naam 2] opgestelde overzicht van giften die bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moeten worden genomen, blijkt dat erflater in totaal een bedrag van € 47.184,00 heeft geschonken, waarvan een bedrag van € 9.000,00 aan [partij C] . [partij B] heeft deze overzichten onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Daarmee bedraagt de legitimaire massa van de nalatenschap van erflater € 107.454,00.
5.23.
Uitgaande van het legitimaire breukdeel van 1/8 bedraagt de legitieme portie van [partij A] , die verder geen schenkingen van erflater heeft ontvangen, € 13.431,75. Bij [partij C] dient de volledige schenking van € 9.000,00 op zijn legitieme portie in mindering te worden gebracht, zodat zijn legitieme portie kan worden gesteld op € 4.431,75. Over deze bedragen zouden [partij A] en [partij C] , gelet op de in 2015 geldende vrijstelling voor erfbelasting, geen erfbelasting verschuldigd zijn geweest, zodat de door hen geleden schade kan worden gesteld op respectievelijk € 13.431,75 en € 4.431,75.
Schadepost 2 – de legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster
5.24.
[partij A] en [partij C] stellen zich op het standpunt dat de nalatenschap van erflaatster een positief saldo zou hebben vertoond als [partij B] geen bedragen aan het vermogen van erflaters had onttrokken. In dat geval hadden zij aanspraak kunnen maken op hun legitieme portie.
5.25.
[partij A] en [partij C] berekenen de door hen geleden schade als volgt. Zij stellen dat het totaalbedrag van € 231.214,63 dat [partij B] onrechtmatig aan het vermogen van erflaters heeft onttrokken, onderdeel zou hebben uitgemaakt van de nalatenschap van erflaatster. Hierop brengen zij de schenking van € 10.000,00 die [partij B] in 2014 heeft ontvangen in mindering, evenals het erfdeel van [partij B] in de nalatenschap van vader van € 30.135,00. Vervolgens vermeerderen zij dit bedrag met een vordering van erflaters op [partij B] van € 38.856,00 en met het saldo op de bankrekeningen van erflaatster per de datum van haar overlijden van € 8.210,59. Zij komen vervolgens tot de conclusie dat de legitimaire massa van de nalatenschap van erflaatster € 238.146,22 zou hebben bedragen. Uitgaande van het legitimaire breukdeel van 1/6 stellen [partij A] en [partij C] dat hun legitieme portie in dat geval afgerond € 39.691,00 zou hebben bedragen.
5.26.
[partij B] betwist dat de schade van [partij A] en [partij C] kan worden vastgesteld aan de hand van een berekening van de legitimaire massa. Ook betwist zij de juistheid van de door [partij A] en [partij C] gepresenteerde berekening. Zij voert hiertoe aan dat de omvang van de nalatenschap van erflaatster niet is vastgesteld en dat een boedelbeschrijving ontbreekt. Het is bovendien onduidelijk of er sprake is van schulden die voor de berekening van de legitieme portie relevant zijn en of er sprake is van giften die bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moeten worden genomen. Tot slot stelt zij dat [partij A] en [partij C] ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de verschuldigde erfbelasting.
5.27.
De rechtbank stelt voorop dat een volledige boedelbeschrijving met alle activa en passiva van de nalatenschap van erflaatster in deze zaak ontbreekt en dat het in theorie zo zou kunnen zijn dat er een forse schuldenlast tot die nalatenschap behoorde. Er zijn echter geen aanknopingspunten aangedragen voor de aanwezigheid van relevante schulden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [partij B] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat erflaatster in 2020, op het moment dat [partij B] het beheer over de financiën van erflaatster overdroeg aan de bewindvoerder, geen schulden had, buiten de toen nog niet opeisbare schulden ter zake de nalatenschap van erflater. Dat er tijdens het bewind van de bewindvoerder over het vermogen van erflaatster per saldo relevante schulden zijn ontstaan, acht de rechtbank ook niet erg waarschijnlijk. Hierbij betrekt de rechtbank de omstandigheid dat erflaatster in die periode op een gesloten afdeling van een zorginstelling verbleef. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de kosten van de uitvaart van erflaatster tot een aanzienlijke schuld hebben geleid. De rechtbank gaat ervan uit dat deze kosten zijn betaald met het op het moment van haar overlijden nog op de bankrekeningen van erflaatster aanwezige saldo van € 8.210,59. De rechtbank is van oordeel dat hiermee genoegzaam is komen vast te staan dat tot de nalatenschap van erflaatster, buiten de vorderingen van [partij B] , [partij A] en [partij C] , geen schulden behoorden.
5.28.
Rekening houdende met de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank de legitimaire massa van de nalatenschap van erflaatster als volgt:
onrechtmatige onttrekkingen [partij B] € 231.214,63
-/- schenking aan [partij B] € 10.000,00
vordering nalatenschap op [partij B] € 38.856,00
-/- erfdeel [partij B] in nalatenschap vader € 30.135,00
-/- legitieme portie [partij C] in nalatenschap vader € 4.431,75
-/- legitieme portie [partij A] in nalatenschap vader € 13.431,75
Totale legitimaire massa € 212.072,13
5.29.
Uitgaande van het legitimaire breukdeel van 1/6 kan de legitieme portie van zowel [partij A] als [partij C] worden gesteld op € 35.345,36.
5.30.
Als [partij A] en [partij C] hun legitieme portie hadden ontvangen waren zij erfbelasting verschuldigd geweest. In 2021 gold voor de erfbelasting een vrijstelling van € 21.282 voor kinderen. [partij A] en [partij C] hadden een erfbelasting van 10% over het resterende bedrag van € 14.063,36 moeten betalen en dus een bedrag van € 1.406,34. De schade die zij hebben ter zake hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster, kan daarmee worden gesteld op € 33.939,02 (€ 35.345,36 -/- € 1.406,34) per persoon.
Totale schade
5.31.
De totale schade voor [partij C] kan daarmee worden becijferd op € 38.370,77 (€ 4.431,75 + € 33.939,02) en de totale schade voor [partij A] op € 47.370,77 (€ 13.431,75 + € 33.939,02).
Conclusie met betrekking tot de vorderingen
5.32.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [partij B] veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 47.370,77 aan [partij A] en tot betaling van een schadevergoeding van € 38.370,77 aan [partij C] .
5.33.
Omdat de vordering tot betaling van schadevergoeding wordt toegewezen, heeft [partij A] geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring voor recht ter zake de omvang van de legitimaire massa en de vaststelling van haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater (vorderingen I en II) en de verklaring voor recht ter zake het onrechtmachtig handelen van [partij B] (vordering IV). Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente
5.34.
De vraag is vervolgens vanaf welk moment [partij B] wettelijke rente moet betalen over de door haar aan [partij A] en [partij C] verschuldigde bedragen.
5.35.
[partij C] heeft gevorderd de wettelijke rente toe te wijzen met ingang van de datum van dagvaarding (22 juli 2025). De rechtbank zal deze vordering toewijzen.
5.36.
[partij A] heeft in haar dagvaarding en akte eiswijziging verschillende ingangsdata genoemd. Over de door haar gevorderde bedragen onder II en V vraagt zij de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster ( [datum 2] 2021) en over het door haar gevorderde bedrag onder III (welk bedrag overigens ook wordt genoemd in de vordering onder II) vraagt zij de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding (18 juli 2025).
5.37.
De rechtbank stelt voorop dat de opeisbaarheid bij een schadevergoedingsverbintenis uit onrechtmatige daad afhangt van het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. [partij A] heeft, mede in het licht van de artikelen 4:81 BW en 4:82 BW die regels stellen met betrekking tot de opeisbaarheid van legitimaire vorderingen, onvoldoende toegelicht welke schade zij op welk moment heeft geleden. Bovendien is onduidelijk met ingang van welke datum zij over welk bedrag wettelijke rente vordert. Daarom zal de rechtbank de wettelijke rente over de aan haar toekomende bedragen toewijzen met ingang van de datum van dagvaarding.
Afgifte diploma’s, geboorteakte en Chinese kist (zaak 1)
5.38.
[partij A] vordert afgifte door [partij B] van de originele diploma’s van [partij A] , de originele geboorteakte van de dochter van [partij A] en van de Chinese kist waarin deze bescheiden altijd zouden hebben gelegen. [partij A] stelt dat de kist met de bescheiden voordat erflaters naar [plaats 2] verhuisden, bij hen in hun woning in [plaats 1] stond en dat [partij B] nauw betrokken is geweest bij de verhuizing van erflaters naar [plaats 2] .
5.39.
[partij B] stelt dat zij de Chinese kist noch de door [partij A] genoemde bescheiden in haar bezit heeft. Zij weet niet ook niet waar de kist en de bescheiden zijn of waar deze zich zouden kunnen bevinden. Zij stelt dat zij zich niet kan herinneren wat er met de kist en de inhoud daarvan is gebeurd. Zij vermoedt dat de kist en de inhoud zijn meeverhuisd naar [plaats 2] , maar wat er daarna mee is gebeurd, weet zij niet.
5.40.
De rechtbank kan niet kan vaststellen of [partij B] de Chinese kist en de door [partij A] genoemde bescheiden in haar bezit heeft. De rechtbank zal de vordering van [partij A] tot afgifte hiervan dan ook afwijzen. Nu [partij B] heeft verklaard dat zij niet op de hoogte is van de plek waar de Chinese kist en de genoemde bescheiden zich bevinden, zal de rechtbank haar evenmin veroordelen om schriftelijk en controleerbaar opgave te doen van de plaats waar deze goederen en bescheiden zich bevinden en van de persoon die deze goederen en bescheiden onder zich heeft.
in reconventie
Opheffing beslag (zaak 2)
5.41.
Nu de vorderingen van [partij A] in conventie goeddeels zullen worden toegewezen, bestaat er geen aanleiding om het door [partij A] gelegde beslag op te heffen. De vordering van [partij B] in reconventie zal daarom worden afgewezen.
in conventie en in reconventie
Proceskosten in conventie (inclusief beslagkosten) in zaak 1 en 2
5.42.
[partij B] krijgt in beide zaken in conventie in overwegende mate ongelijk en zij zal daarom de proceskosten in conventie (inclusief nakosten) van [partij A] en [partij C] moeten betalen. [partij A] vordert ook vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het leggen van conservatoir beslag. Deze kosten bedragen volgens [partij A] € 1.641,44 aan deurwaarderskosten en € 331,00 aan griffierecht. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met stukken en daarom ex artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) toewijsbaar, met dien verstande dat de rechtbank het bedrag van € 145,55 van deze deurwaarderskosten zal aftrekken, nu dit de kosten van de dagvaarding betreffen en deze kosten reeds apart worden meegenomen in de kostenbegroting.
5.43.
De proceskosten van [partij A] in conventie (zaak 1) worden begroot op
  • kosten dagvaarding € 145,55
  • explootkosten beslag (exclusief kosten dagvaarding) € 1.495,89
  • griffierecht (inclusief griffierecht beslagrekest) € 1.374,00
  • salaris advocaat (inclusief extra punt voor de beslagzaak) (3 punten x tarief IV) € 3.870,00
  • Nakosten (exclusief verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 7.033,44
5.44.
De proceskosten van [partij C] (zaak 2) worden begroot op:
  • Kosten dagvaarding € 145,45
  • Griffierecht € 1.374,00
  • Salaris advocaat (2 punten x tarief IV) € 2.580,00
  • Nakosten (exclusief verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 4.288,45
5.45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in reconventie (alleen zaak 1)
5.46.
[partij B] wordt in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij A] (inclusief nakosten) betalen.
5.47.
De proceskosten van [partij A] in reconventie worden begroot op:
  • Salaris advocaat (1 punt x tarief II) € 653,00
  • Nakosten (exclusief verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 801,00
5.48.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
In zaak 1
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] tot betaling van een schadevergoeding van € 47.370,77 aan [partij A] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding (18 juli 2025) tot de dag van volledig betaling;
6.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten in conventie van [partij A] van € 7.033,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling van deze proceskosten;
in reconventie
6.3.
wijst de vordering van [partij B] af;
6.4.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten in reconventie van [partij A] van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling van deze proceskosten;
in conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de in dit vonnis opgenomen veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling van deze proceskosten;
6.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In zaak 2
6.8.
veroordeelt [partij B] tot betaling van een schadevergoeding van € 38.370,77 aan [partij C] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding (22 juli 2025) tot de dag van volledige betaling;
6.9.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij C] van € 4.288,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de in dit vonnis opgenomen veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling van de proceskosten;
6.10.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
1366

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Haag 12 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:47.