Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 12 januari 2021
[appellant 2] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- i) Bevat het verloop van het vermogen van erflaatster tussen 25 januari 2005 – de datum van overlijden van de vader – en 21 februari 2013 – de datum van overlijden van de moeder – aanknopingspunten voor onverklaarde onttrekkingen aan het vermogen van erflaatster en, zo ja, bestaan er concrete vermoedens van vermogensverschuivingen van erflaatster naar één of meer van de legitimarissen dan wel derden?
- ii) Indien sprake is van onverklaarde onttrekkingen aan het vermogen van erflaatster, bestaan er concrete aanwijzingen dat door [appellant 1] en/of [appellant 2] tussen 25 januari 2005 en 21 februari 2013 beheer is gevoerd over het vermogen van de moeder en dat deze onttrekkingen zijn terug te voeren op het door hen gevoerde beheer?
grief 1voeren [appellant 1] en [appellant 2] aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de status van [geïntimeerde] als onterfde legitimaris en bij tussenvonnis van 26 september 2018 ten onrechte heeft beslist dat zij rekening en verantwoording dienen af te leggen over het verloop van het vermogen van de moeder over de periode vanaf 7 november 2006 tot aan 21 februari 2013.
grief 2heeft de rechtbank onjuiste conclusies getrokken uit het deskundigenrapport van mr. [deskundige] . Kort gezegd voeren [appellant 1] en [appellant 2] aan dat de deskundige in zijn rapport voorzichtige conclusies trekt die door de rechtbank worden verabsoluteerd dan wel onjuist worden weergegeven, waarbij zij een aantal voorbeelden noemen. Verder voeren [appellant 1] en [appellant 2] aan dat op basis van het deskundigenrapport en de bankafschriften kan worden geconcludeerd dat de moeder van haar contanten heeft geleefd die zij blijkbaar thuis bewaarde. Ten slotte merken zij op dat de ‘overige opmerkingen’ in het deskundigenrapport terzijde geschoven moeten worden, omdat deze niet overeenkomen met de werkelijkheid en tendentieus zijn waar de deskundige opmerkt dat er aanwijzingen bestaan voor financieel misbruik.
grief 3betogen [appellant 1] en [appellant 2] dat de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] ten onrechte heeft toegewezen, omdat de gronden voor het aannemen van een onrechtmatige daad ontbreken. Kort gezegd voeren zij aan dat zij geen beheer hebben gevoerd over het vermogen van de moeder, dat zij geen geld hebben onttrokken aan het vermogen van de moeder, dat zij geen geld hebben opgenomen voor de moeder en niet weten wat de moeder heeft gedaan met het opgenomen geld. Verder betogen [appellant 1] en [appellant 2] dat niet is voldaan aan de overige voor een schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad vereiste voorwaarden (onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaliteit en relativiteit).
grief 4is de rechtbank voorbij gegaan aan de door [appellant 1] en [appellant 2] in het geding gebrachte bewijsmiddelen, waarbij wordt verwezen naar de beëdigde verklaringen van appellanten zelf en een overzicht van het verloop van de bankrekeningen van de moeder over de periode van 7 november 2006 tot en met 21 februari 2013. Verder wijzen [appellant 1] en [appellant 2] erop dat zij uitvoerig hebben toegelicht hoe de moeder in het leven stond en waar de moeder haar geld aan besteed zou kunnen hebben.
grief 5dat de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen heeft toegewezen zonder acht te slaan op de door hen daartegen aangevoerde betwistingen. Volgens de grief is zowel de berekening van de legitieme portie als het bedrag uit hoofde van de nalatenschap van erflater onjuist.
grief 6wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte rente over de gevorderde bedragen heeft toegewezen. Verder zou de rechtbank [appellant 1] en [appellant 2] ten onrechte in de kosten van de deskundige hebben veroordeeld.