ECLI:NL:RBDHA:2026:18914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
09-311113-24 en 09-115865-23 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing, poging zware mishandeling en wapenbezit door minderjarige

Op 28 september 2024 pleegde de verdachte te Zoetermeer afpersing door onder bedreiging met een vuurwapen sigaretten af te dwingen van het slachtoffer. Tevens sloeg hij het slachtoffer met een omgebouwd gaspistool tegen het hoofd, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel, waaronder een bloedende wond en een litteken. Daarnaast had hij het vuurwapen en munitie voorhanden.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van de aangevers, de bekennende verklaring van de verdachte en medisch bewijs. De verdachte werd veroordeeld tot 40 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan het voorarrest, en een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank kende aan de eerste benadeelde partij €1.934,18 toe en aan de tweede €500,-, beide vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen werden deels toegewezen vanwege onvoldoende onderbouwing van sommige posten. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie werd afgewezen vanwege de positieve ontwikkeling van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie en 60 uur werkstraf voor afpersing, poging zware mishandeling en wapenbezit, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-311113-24 en 09-115865-23 (tul)
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte], (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 15 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Bakker en de raadsman van de verdachte is mr. G. van der Steen te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdachte wordt verdacht van drie strafbare feiten. De verdachte wordt er allereerst van verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een afpersing. Daarnaast wordt hij verdacht van een poging tot zware mishandeling (primair) dan wel een mishandeling (subsidiair). Ten derde wordt de verdachte ervan verdacht dat hij een wapen en munitie voorhanden heeft gehad.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten en/of een joint, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of een derde toebehoorde(n), door
- tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen "ik ben van QZ geef me je spullen" en/of "ik hoef geen pasjes maar verder wil ik alles" en/of
- genoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen;
2
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, genoemde [aangever 1] met (de kolf van) een wapen op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland [aangever 1] heeft mishandeld door hem met (de kolf van) een wapen op/tegen het hoofd te slaan;
3
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) omgebouwd gaspistool, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 althans een aantal patronen van het merk Sellier & Bellot (5 stuks) en/of Remmington (1 stuk) van kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar heeft een aantal opmerkingen gemaakt over de verschillen tussen de verklaringen van de aangevers.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de feiten wettig en overtuigend bewezen zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3.1
Afpersing: de afgifte van een goed (feit 1)
De rechtbank is van oordeel dat de sigaretten door aangever [aangever 1] onder dwang zijn afgegeven en dat daarmee sprake is geweest van afpersing. Uit de aanvullende verklaring van [aangever 1] en uit de aangifte van [aangever 2] blijkt immers dat [aangever 1] de sigaretten niet vrijwillig heeft afgegeven, maar dat hij dit heeft gedaan, omdat hij bij de verdachte een vuurwapen zag, waardoor hij zich bedreigd en gedwongen voelde om spullen af te geven. De verdachte heeft ter zitting erkend dat het zo zou kunnen zijn dat [aangever 1] de sigaretten heeft afgegeven omdat hij zag dat de verdachte een vuurwapen zag. Daar komt bij dat de verdachte de sigaretten vervolgens ook van de aangever heeft aangenomen. Het feit dat de verdachte het vuurwapen niet op de aangever heeft gericht, maakt niet dat geen sprake is van het onder dwang afgeven van de sigaretten.
3.3.2
De verklaringen van aangevers
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van de aangevers op sommige, niet onbelangrijke, onderdelen behoorlijk uiteenlopen. De rechtbank is het met de raadsman (en de officier van justitie) eens dat de verklaringen van aangevers op bepaalde punten verschillen. Die verschillen betreffen met name het moment waarop het voor aangevers duidelijk werd dat de verdachte een vuurwapen heeft en het (al dan niet) afgeven van de sigaretten. De rechtbank is echter van oordeel dat deze verschillen geen invloed hebben op de bewezenverklaring. Zoals hiervóór onder 3.3.1 is overwogen, is er voldoende bewijs voorhanden voor de conclusie dat aangever [aangever 1] de sigaretten onder bedreiging met het vuurwapen heeft afgegeven. Dat hij over de afgifte van de sigaretten pas in zijn aanvullende verklaring verklaart, houdt mogelijk verband met het feit dat aangever [aangever 1] bij het incident een de klap tegen zijn hoofd heeft gehad waardoor zijn verklaringen direct na het incident niet volledig zijn geweest. Verder kunnen de verschillen tussen de verklaringen verklaard worden vanuit de omstandigheid dat de aangevers het incident beiden vanuit een andere positie en op een andere manier hebben beleefd.
3.3.3
Poging zware mishandeling (feit 2)
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte het slachtoffer eenmaal met een wapen tegen het hoofd heeft geslagen.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen, zoals onder feit 2 primair tenlastegelegd is. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de aangifte van [aangever 1] , de bekennende verklaring van de verdachte en het onderzoek van de politie naar de kenmerken van het wapen blijkt dat de verdachte het slachtoffer éénmaal met hard voorwerp van metaal en hout, namelijk een omgebouwde alarmrevolver, tegen het hoofd heeft geslagen. Uit de medische verklaring en de foto’s in het dossier blijkt dat het slachtoffer als gevolg van de klap een hevig bloedende wond en een zwelling op het voorhoofd (links) had. Ook heeft hij hier een litteken aan overgehouden. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde, namelijk een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] .
3.3 4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2024314897, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 123).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 29 september 2024 (p. 66-70);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 29 september 2024 (p. 85-87);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 september 2024 (p. 71-73):
5. Het proces-verbaal van bevindingen , opgemaakt op 29 september 2024 (p. 74-77);
Ten aanzien van feit 2:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 29 september 2024, voor zover inhoudende (p. 66-70);
3. Het geschrift, zijnde een medische verklaring van [aangever 1] d.d. 21 november 2024 (p. 123);
Ten aanzien van feit 3:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 september 2024, voor zover inhoudende (p. 74-77).
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot de tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 28 september 2024 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten, die geheel aan die [aangever 1] toebehoorden, door
- tegen [aangever 1] en [aangever 2] te zeggen "ik ben van QZ geef me je spullen" en "ik hoef geen pasjes maar verder wil ik alles" en
- genoemde [aangever 1] en [aangever 2] een vuurwapen te tonen.
2
hij op 28 september 2024 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, genoemde [aangever 1] met een wapen tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3
hij op 28 september 2024 te Zoetermeer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) omgebouwd gaspistool, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 patronen van het merk Sellier & Bellot (5 stuks) en Remmington (1 stuk) van kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr Pro, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 40 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij lange tijd in schorsingsvoorwaarden heeft gelopen en dat hij inmiddels een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ook dient rekening gehouden te worden met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr Pro. De raadsman stelt zich op het standpunt dat een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest dient te worden opgelegd en daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als zeventienjarige schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten.
Daarbij gaat het allereerst om een afpersing en een poging zware mishandeling. De slachtoffers hebben, doordat de verdachte hen een wapen toonde, zich gedwongen gevoeld een pakje sigaretten af te geven. Vervolgens is de verdachte in een gevecht geraakt met een van de slachtoffers en heeft hij hem met het wapen tegen zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer bloedde daardoor hevig en heeft hier een litteken op zijn voorhoofd aan overgehouden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nadelige psychische en fysieke gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. De verdachte heeft hiermee ook een grove inbreuk gemaakt op de rechtsorde en de lichamelijke integriteit van een van de slachtoffers. Hij heeft een van de slachtoffers nodeloos pijn en letsel bezorgd en in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden door handelen als dat van de verdachte versterkt.
Ook heeft de verdachte een wapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot grote onveiligheid in de maatschappij. Vuurwapens kunnen immers worden gebruikt om ernstige strafbare feiten te plegen, zoals levensdelicten en overvallen en worden in toenemende mate ook bij ‘lichtere’ feiten als ruzies en bedreigingen gebruikt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten en in een proeftijd liep op het moment van het plegen van onderhavige feiten. Daarnaast blijkt dat de verdachte na het plegen van onderhavige feiten is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Dit betekent dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de mondelinge toelichting die door de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat er vanwege een administratieve fout geen recent rapport is opgemaakt terwijl het rapport van 29 april 2025 niet meer actueel is. Daarom is het advies gebaseerd op wat ter terechtzitting is besproken. De verdachte heeft in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt en is intrinsiek gemotiveerd om zijn leven te beteren. De Raad heeft er vertrouwen in dat de verdachte deze positieve ontwikkeling zal weten door te zetten en niet opnieuw bij politie en justitie in beeld zal komen. Het advies is dan ook om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met alleen de algemene voorwaarde om tijdens de proeftijd van twee jaar geen nieuwe strafbare feiten te plegen, omdat er geen noodzaak meer bestaat de verdachte verder te laten begeleiden door de jeugdreclassering. Daarbij weegt de Raad mee dat ter zitting is gebleken dat de hulpverlening die nu loopt ook via het vrijwillig kader vanuit de gemeente kan doorlopen.
De jeugdreclasseerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte veel positieve stappen heeft gezet: hij heeft zich goed aan de voorwaarden gehouden en heeft zijn behandeling bij De Waag afgerond. De verdachte voelde zich lange tijd niet veilig en is daarom verhuisd naar [woonplaats] , waar het nu beter gaat en de verdachte zich veiliger voelt. De jeugdreclasseerder ziet geen meerwaarde in een langer jeugdreclasseringstraject, mede omdat de gemeente vanuit het vrijwillig kader betrokken is en ook de coach vanuit [instantie] in het vrijwillig kader kan blijven doorlopen. De verdachte heeft veel aan zijn coach en zal ook vrijwillig contact met hem blijven onderhouden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met vijf maanden overschreden, nu de verdachte op 29 september 2024 is aangehouden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank heeft deze overschrijding in strafmatigende zin meegewogen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Gelet op de ernst van de feiten en op wat hiervoor is beschreven, wordt aan de verdachte een jeugddetentie van enige tijd opgelegd. Ten aanzien van de duur van de jeugddetentie overweegt de rechtbank dat de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij heeft verschillende interventies (onder andere bij De Waag) afgerond, hij is niet meer met politie en justitie in aanraking geweest, hij heeft een mbo-opleiding niveau 1 afgerond en hij is gemotiveerd om een ander leven te gaan leiden dan ten tijde van de feiten en heeft daar ook al een start mee gemaakt. De rechtbank vindt het dan ook niet wenselijk de verdachte terug te sturen naar de jeugdgevangenis. Dit maakt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest zal opleggen. De rechtbank zal geen voorwaardelijk deel opleggen, omdat er, gelet op alle positieve ontwikkelingen, geen noodzaak wordt gezien om de verdachte op die manier te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Dit betekent dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 40 dagen, gelijk aan het voorarrest, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren opleggen, zodat de verdachte wel de consequenties van zijn gedrag ervaart. Als de verdachte deze werkstraf niet uitvoert, kan deze worden omgezet in 30 dagen jeugddetentie.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de schade een bedrag van € 5.908,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 908,48 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in zijn geheel dienen te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade, zijnde de kleding en schoenen van [aangever 1] , op het standpunt gesteld dat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd, nu er geen aankoopbonnen zijn toegevoegd aan de vordering. Daar komt bij dat de nieuwprijs van de kleding en schoenen is gevorderd, terwijl duidelijk is dat de kleding en schoenen niet nieuw waren. De raadsman verzoekt de rechtbank om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor fysiotherapie heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de immateriële schade van [aangever 1] heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen. Daartoe is van belang dat het wapen enkel is gebruikt als slagwapen, het wapen niet op de benadeelde gericht is geweest en niet aannemelijk is geworden dat de benadeelde de vrees had dat verdachte met het wapen zou schieten.
Ten aanzien van de immateriële schade van [aangever 2] wordt verzocht het bedrag te matigen, omdat de benadeelde partij geen fysiek letsel heeft opgelopen, het vuurwapen niet op hem gericht is geweest en hij geen doelwit van het geweld is geweest.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1
Vordering [aangever 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door wat hem is overkomen. Door de klap met het wapen tegen het hoofd zaten de kleding en schoenen van de benadeelde partij onder het bloed. Nu bij de vordering geen aankoopbonnen van de kleding en schoenen zijn gevoegd en ter zitting door de raadsman van de benadeelde partij is aangegeven dat de kleding en schoenen ongeveer een jaar oud waren, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen dat voor de hoodie een bedrag van € 100,-, voor de jeans een bedrag van € 50,- en voor de Nike Air Max een bedrag van € 100,- zal worden toegewezen.
Ook ten aanzien van de kosten van fysiotherapie is de rechtbank van oordeel dat deze schade een rechtstreeks verband heeft met het incident. Ten aanzien van deze kosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal de kosten van fysiotherapie geheel toewijzen, zijnde een bedrag van € 184,18.
Voorgaande maakt dat de rechtbank de materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 434,18. Alles wat meer is gevorderd, zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij bij het incident lichamelijk letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen en daaraan een litteken heeft overgehouden. Daarnaast heeft de benadeelde partij last gehad van hoofdpijn, slecht slapen en ervaart hij nog steeds gevoelens van angst en onveiligheid. Die schade zal op basis van de feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-. zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Alles wat meer is gevorderd, zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.934,18, bestaande uit € 434,18 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade (kleding en schoenen), zijnde € 250,-, en de immateriële schade, zijnde € 1.500,-, toewijzen met ingang van 28 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank ziet dat de behandelingen bij de fysiotherapeut ruim negen maanden na het incident hebben plaatsgevonden. De rechtbank gaat bij bepaling van de wettelijke rente uit van het moment waarop de schade is ontstaan. Uit de vordering blijkt dat de behandelingen hebben plaatsgevonden op 3 juni 2025, 10 juni 2025 en 23 oktober 2025. Uit praktische overwegingen zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de fysiotherapiekosten, zijnde € 184,18, toewijzen met ingang van 3 juni 2025, zijnde de datum van de eerste behandeling.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.934,18, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] . De materiële schade (kleding en schoenen) tot een bedrag van € 250,- en de immateriële schade, zijnde € 1.500,-, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. De materiële schade (fysiotherapiekosten) tot een bedrag van € 184,18 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
7.3.2
Vordering [aangever 2]
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft last van angstklachten, voelt zich onveilig en slaapt slecht. Die schade zal op basis van de feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag aan [aangever 2] zal worden toegewezen. Alles wat meer is gevorderd, zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-115865-23 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 2 mei 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 69 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, mede omdat er geen meerwaarde wordt gezien in de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie en evenmin in een omzetting van de jeugddetentie in een taakstraf.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de proeftijd te verlengen en meer subsidiair wordt verzocht de jeugddetentie om te zetten in een taakstraf.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, door zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank is echter, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de tenuitvoerlegging, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen meerwaarde meer heeft en het niet wenselijk is om de positieve ontwikkeling van de verdachte te doorkruisen met een jeugddetentie. De vordering zal daarom worden afgewezen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffenzijn gegrond op de artikelen:
  • 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg, 302 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
afpersing;
ten aanzien van feit 2 primair:
poging zware mishandeling;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
40 (VEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
zijnde 40 dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.934,18, bestaande uit € 434,18 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [aangever 1] ,
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding, voor zover dat ziet op de kleding en schoenen (totaal € 250,-) en immateriële schadevergoeding (€ 1.500,-) vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding, voor zover dat ziet op de kosten van fysiotherapie (totaal € 184,18), vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.934,18, ten behoeve van [aangever 1] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding, voor zover dat ziet op de kleding en schoenen (totaal € 250,-) en immateriële schadevergoeding (€ 1.500,-) vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding, voor zover dat ziet op de kosten van fysiotherapie (totaal € 184,18) vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,-, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-115865-23;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.M. Meijers, kinderrechter,
en mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.