ECLI:NL:RBDHA:2026:18908

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
09-341561-25 en 09-016543-24 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 56 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling en medeplegen diefstal met geweld

Op 7 december 2025 heeft de verdachte samen met anderen het slachtoffer in Den Haag aangevallen. De verdachte duwde het slachtoffer tegen een muur, schopte hem meerdere keren tegen het hoofd terwijl het slachtoffer bewusteloos op de grond lag, en nam vervolgens spullen van het slachtoffer weg. De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging doodslag wegens onvoldoende bewijs van opzet op dodelijk letsel.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte medepleegde aan poging zware mishandeling door het toebrengen van een schop tegen het hoofd met aanvaarding van de aanmerkelijke kans op zwaar letsel. Tevens werd medeplegen diefstal met geweld bewezen verklaard, waarbij spullen van het slachtoffer werden weggenomen terwijl hij weerloos lag.

De verdachte, die licht verminderd toerekeningsvatbaar is, werd veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een pakket aan bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en toezicht. De rechtbank kende gedeeltelijke schadevergoeding toe aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf toe.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie voor medeplegen poging zware mishandeling en diefstal met geweld, met gedeeltelijke schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-341561-25 en 09-016543-24 (tul)
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] te [woonplaats],
nu preventief gedetineerd in RJJI [locatie] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 15 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R.A. Kamphuis en de raadsvrouw van de verdachte is mr. J. Grabowsky te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen gekwalificeerde doodslag (primair) dan wel medeplegen van een poging tot zware mishandeling (subsidiair). Daarnaast wordt de verdachte ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan een diefstal, voorafgegaan door geweld.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 7 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, welke poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, die [aangever] met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] meermaals met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 7 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (iPhone 15) en/of een portemonnee met inhoud, waaronder een contant geldbedrag en/of een oplader met snoertje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever] tegen het hoofd te slaan en/of
- ( vervolgens) die [aangever] op de grond te duwen en/of
- ( meermaals) met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] te schoppen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair, omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Ook dient de verdachte van feit 2 te worden vrijgesproken, omdat hij geen spullen van het slachtoffer heeft gestolen en ook niet weet of (een van) de medeverdachten spullen hebben weggenomen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.3.1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aangever en de verdachten zijn elkaar in de nacht van 6 op 7 december 2025 tegengekomen in de buurt van de Grote Markt in Den Haag en hebben een tijd met elkaar opgetrokken en door de stad gelopen. Rond 5 uur ’s nachts wil de aangever in de Lange Houtstraat een taxi naar huis nemen. Op het moment dat de aangever op zijn telefoon bezig is, komen de verdachten, die inmiddels hun gezicht hebben bedekt met een capuchon, skimasker of helm, om hem heen staan. Er vindt een kort gesprek plaats tussen de aangever en de verdachten, waarna de verdachte de aangever met een glazen fles tegen de muur duwt en er wat duw- en trekwerk plaatsvindt. Nadat de aangever door een van de verdachten op de grond wordt geduwd, wordt hij door de verdachte tweemaal, waarvan in ieder geval één keer raak, met kracht in het gezicht geschopt. Door de schop beweegt het hoofd van aangever met kracht naar achteren en blijft aangever bewegingloos op straat liggen. Op het moment dat de aangever buiten bewustzijn op de grond ligt, gaan de verdachten door de broek- en jaszakken van de aangever en nemen zij verschillende spullen mee. Daarna vluchten de verdachten weg. De aangever heeft als gevolg van de schop tegen het hoofd licht hoofdletsel, te weten een zwelling van de lip, enkele wondjes op de neus en wenkbrauw en vermoedelijk een hersenschudding.
3.3.3
Vrijspraak feit 1 primair - poging doodslag
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het door de verdachte gepleegde geweld bestond uit het geven van een schop tegen het hoofd van de aangever, terwijl de aangever, nadat hij ten val was gebracht, op de grond lag. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat door deze enkele schop een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel in het leven is geroepen. Gelet op hierop, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
3.3.2
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair – poging zware mishandeling
Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door de schop tegen het hoofd van de aangever, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam en dat een schop daartegen zwaar lichamelijk letsel als gevolg kan hebben. De rechtbank vindt daarom het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bewezen.
3.3.3.
Bewezenverklaring feit 2 - medeplegen diefstal met geweld
De rechtbank is van oordeel dat feit 2, het medeplegen van diefstal, voorafgegaan door geweld, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de camerabeelden blijkt dat op het moment dat de aangever, nadat hij door verdachten is geduwd en geschopt en weerloos en bewusteloos op de grond ligt, een persoon met een helm op met beide handen door de broek- en jaszakken van de aangever gaat. De verdachte heeft erkend dat hij de persoon met de helm is. Op het moment dat de verdachte wegrent, is te zien dat hij zijn hand in zijn eigen jaszak stopt en hierna zijn hand er snel weer uithaalt. De aangever heeft verklaard dat hij, terwijl hij op de grond lag, voelde dat er spullen uit zijn zakken werden gehaald en dat hij deze spullen ook mist na het incident. Voorgaande wordt ondersteund door het feit dat bij de helm van de verdachte, die in het Haagse Bos werd gevonden, verschillende spullen van de aangever zijn aangetroffen, waaronder zijn telefoon en verschillende pasjes. De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte, samen met zijn medeverdachten, bezittingen van aangever heeft weggenomen, welke diefstal, zoals hiervoor al is overwogen, voorafgegaan is van geweld.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot de onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 7 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 7 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een telefoon (iPhone 15) en een portemonnee met inhoud, waaronder een contant geldbedrag en een oplader met snoertje, die geheel aan die [aangever] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door:
- die [aangever] tegen het hoofd te slaan en
- vervolgens die [aangever] op de grond te duwen en
- met kracht tegen het hoofd van die [aangever] te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij ten tijde van het feit licht verminderd toerekeningsvatbaar was en in de afgelopen periode in een zeer strak schorsingstraject heeft gelopen. De raadsvrouw is van mening dat, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, een aanzienlijk voorwaardelijk deel moet worden opgelegd, zodat de verdachte een stok achter de deur heeft en de hulpverlening en het toezicht, waaronder De Waag en ITB Harde Kern, kunnen doorlopen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als zeventienjarige schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en het medeplegen van een diefstal, voorafgegaan door geweld. Hij heeft, samen met anderen, tijdens een uitgaansavond in het centrum van Den Haag, het slachtoffer op de grond geduwd, waarna verdachte hem in zijn gezicht heeft geschopt. Het slachtoffer is hierdoor bewusteloos geraakt en heeft letsel aan zijn hoofd opgelopen. Op het moment dat het slachtoffer weerloos en bewusteloos op de grond lag, hebben de verdachten ook nog spullen uit de zakken van het slachtoffer weggenomen. Met zijn laffe handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Bovendien zorgen dergelijke incidenten voor angst en onrust in de maatschappij, in het bijzonder bij de mensen die dit hebben zien gebeuren.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten en in een proeftijd liep ten tijde van het plegen van onderhavige feiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 30 april 2026. Daaruit volgt - kort samengevat - dat er bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdend gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, licht van aard. Het gebrek aan schuldgevoel en empathie lijken te hebben bijgedragen aan de keuze voor agressie en intimidatie bij de strafbare feiten. De stoornissen waren dus ook aanwezig ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Dit maakt dat, bij een bewezenverklaring, wordt geadviseerd de strafbare feiten in licht verminderde mate toe te rekenen. Verder bestaat er een matig tot hoog risico op recidive onder gelijkblijvende omstandigheden. Om het risico op recidive in positieve zin te beïnvloeden is een individuele behandeling, gericht op het vergroten van de emotieregulatie-vaardigheden, het zelfinzicht en de coping-vaardigheden, noodzakelijk. Geadviseerd wordt om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, het volgen van behandeling en het meewerken aan coaching. Daarbij wordt geadviseerd om binnen de meldplicht de Harde Kern-aanpak, inclusief een avondklok met elektronische monitoring te continueren, voor een maximale duur van 12 maanden.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad van 12 juni 2026 en de toelichting van de deskundige die ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de verdachte in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij zich niet aan de afspraken en voorwaarden kan houden. De verdachte geeft steeds opnieuw aan dat hij wil veranderen, maar tot op heden is hem dat nog niet gelukt. Het is belangrijk dat de verdachte beseft dat de verandering bij hemzelf begint en dat het nu aan hem is om te laten zien dat hij het kan. De Raad adviseert daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, het meewerken aan ITB Harde Kern, het meewerken aan een behandeling bij De Waag, een avondklok, elektronische monitoring, het hebben van een zinvolle dagbesteding, het meewerken aan coaching vanuit E25 en een contactverbod met de medeverdachten. Een gedrags-beïnvloedende maatregel is overwogen, maar dat is op dit moment niet realistisch, omdat dit te intensief is voor de ouders. De Raad ziet dat de ouders zeer betrokken zijn, maar zij zijn op dit moment overbelast.
De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven dat de verdachte zeer kwetsbaar is. Hij maakt keuzes zonder na te denken en overziet de consequenties van zijn gedrag niet. Dit maakt dat het hem niet lukt zich aan afspraken te houden en daarom is zijn schorsing eerder al tweemaal opgeheven. De verdachte verdient nog wel een kans, maar er moeten zeer strakke afspraken worden gemaakt, zodat voor de verdachte duidelijk is wat de consequentie is als hij een afspraak overtreedt.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en vindt de verdachte daarom licht verminderd toerekeningsvatbaar. Dit wordt in strafmatigende zin overgenomen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor een poging zware mishandeling door middel van trappen tegen het hoofd vanaf 3 maanden jeugddetentie wordt opgelegd. Voor een straatroof geldt als uitgangspunt 60 uur taakstraf, dan wel overeenkomstige jeugddetentie. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat beide feiten ’s nachts en op straat zijn gepleegd en dat sprake is geweest van een groep jongeren die geweld heeft gepleegd en vervolgens het slachtoffer van zijn spullen heeft beroofd, terwijl hij weerloos op de grond lag.
Gelet op de ernst van de feiten, wat hiervoor is beschreven en het aan het slachtoffer toegebrachte leed, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur. De verdachte heeft in zijn proeftijd opnieuw een soortgelijk geweldsfeit gepleegd, waarbij hij iemand tegen het hoofd heeft geschopt. Daarnaast heeft hij gedurende zijn schorsing meerdere kansen gehad, maar steeds weer is het de verdachte niet gelukt om zich aan de afspraken en voorwaarden te houden. Dat maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een groot voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De rechtbank vindt een jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Daarbij zullen de door de Raad geadviseerde voorwaarden, waaronder een meldplicht, de inzet van ITB Harde Kern, het meewerken aan behandeling bij De Waag, een avondklok, elektronische monitoring, het hebben van een zinvolle dagbesteding, het meewerken aan coaching vanuit E25 en een contactverbod met de medeverdachten, worden opgelegd. De rechtbank vindt het van groot belang dat de hulpverlening doorloopt en dat de verdachte de juiste begeleiding en ondersteuning krijgt om zo het recidiverisico te verminderen. Daarbij is het, zoals ook door de Raad is opgemerkt, belangrijk dat de verdachte beseft dat de verandering bij hemzelf begint en dat het nu aan hem is om te laten zien dat hij er alles aan doet om dergelijke strafbare feiten in de toekomst te voorkomen.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken ten aanzien van de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van een poging zware mishandeling en een diefstal met geweld in vereniging. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psycholoog en de Raad, waaruit naar voren komt dat het risico op recidive matig tot hoog is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat het hierna op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar is.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.290,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 2.970,99 aan materiële schade en € 2.500,-- aan immateriële schade. Ook is hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het contante geld (materiële schade) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 700,-- toewijsbaar is, omdat dit bedrag uit de aangifte volgt.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op materiële schade dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Jas Moncler
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Als gevolg van de gepleegde feiten is de, kort daarvoor aangeschafte, jas van de benadeelde partij zodanig beschadigd geraakt dat deze onbruikbaar is. Dit deel van de vordering, zijnde € 1.380,--, zal daarom worden toegewezen.
Airpods 2
Nu uit de aangifte niet volgt dat bij de diefstal met geweld ook Airpods zijn weggenomen, kan niet worden vastgesteld of er sprake is van een causaal verband tussen het feit en de ontstane schade. De rechtbank zal de vordering daarom in zoverre afwijzen.
Contant geld
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden doordat van hem een portemonnee met daarin een contant geldbedrag is weggenomen. Nu uit de aangifte volgt dat er € 700,-- aan contant geld in de weggenomen portemonnee zat, zal de rechtbank de vordering toewijzen voor een bedrag van € 700,-- en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorgaande maakt dat de vordering van materiële schade ten aanzien van de Moncler jas en het contante geld tot een totaalbedrag van € 2.080,-- zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde
feit. De benadeelde partij heeft fysiek letsel aan de feiten overgehouden en ervaart ook psychische gevolgen. Hij voelt zich onveiliger in het openbaar, ervaart spanningen en zijn vertrouwen in anderen is verminderd. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding van immateriële schade geheel toewijzen tot het bedrag van € 2.500,--.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 4.580,--, bestaande uit € 2.080,-- aan materiële schade en € 2.500,-- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 december 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk, met dien verstande dat de verdachten slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (im)materiële schadevergoeding tot het bedrag waartoe zij veroordeeld zijn. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte hoofdelijk voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 4.580,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-016543-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 13 november 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van één maand jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie handhaaft de vordering.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu het belangrijk is dat de hulpverlening snel op gang komt.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop acht de rechtbank termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 13 november 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van één maand, toe te wijzen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
14e, 36f, 45, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
de voortgezette handeling van:
feit 1 subsidiair:
medeplegen poging tot zware mishandeling;
en feit 2:
medeplegen diefstal, voorafgegaan van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
300 (DRIEHONDERD) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
zijnde 125 (honderdvijfentwintig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
te weten 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en zolang zij dat willen;
2. zal meewerken aan ITB Harde Kern met onderdelen van het traject Straatkracht en zich zal houden aan het voor hem opgestelde weekschema en de met de jeugdreclassering gemaakte afspraken, met een maximale duur van zes maanden;
3. zal meewerken aan behandeling gericht op agressie-/emotieregulatie en verslaving (inclusief de verplichting om mee te werken aan bloed- en/of urineonderzoek) bij De Waag of een soortgelijke instantie, zolang en zo vaak de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering;
5. zich houdt aan het locatiegebod (avondklok) en dus tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op het woon- of verblijfadres: [adres] te
[woonplaats] , tenzij onder begeleiding van een door de jeugdreclassering goedgekeurde volwassene, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van zes maanden. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen als zij dit noodzakelijk acht;
6. zal meewerken aan controle op het locatiegebod door middel van elektronisch toezicht, met een maximale duur van zes maanden;
7. zal meewerken aan de begeleiding door een coach van E25 (forensisch team) of soortgelijke instantie;
8. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal leggen of laten leggen met:
o [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2007;
o [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2007;
o [naam 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2008;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het - op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij [aangever] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 4.580,--, bestaande uit € 2.080,-- aan materiële schade en € 2.500,-- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 7 december 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de kosten voor de Airpods 2;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de vordering ziet op een hoger bedrag dan de toegewezen € 700,-- aan contant geld;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.580,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging
wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-016543-24 van de door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 13 november 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten één maand jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.M. Meijers, kinderrechter,
en mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.