In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 22 oktober 2023. Eerder had de rechtbank een beslistermijn van zestien weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden, legt de rechtbank een nieuwe, kortere beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De eerdere dwangsom wordt niet verhoogd ondanks het uitblijven van een besluit. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden bij een tweede beroep.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.