ECLI:NL:RBDHA:2026:1881
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N. Meesters - van Luijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Turkmenistan wegens gebrek aan geloofwaardigheid
Eiser diende op 28 februari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 27 augustus 2025 werd afgewezen als ongegrond. Eiser stelde dat hij Turkmenistan in 2019 had verlaten vanwege bedreigingen door de KGB, waarbij ook zijn vader bedreigd werd en zijn eigendommen werden afgepakt. Hij verbleef daarna in Turkije en Oekraïne voordat hij in 2022 naar Nederland vluchtte. Zijn vrouw en kinderen verblijven nog in Turkmenistan.
De minister achtte de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar verwierp zijn verklaringen over bedreigingen als inconsistent en ongerijmd. De minister concludeerde dat eiser niet geloofwaardig was en geen onmiddellijke behoefte aan internationale bescherming had. Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte zijn aanvraag had getoetst aan een werkinstructie die niet aan Europese richtlijnen voldoet en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn situatie en verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet aangehouden hoeft te worden en dat de minister de cumulatieve voorwaarden van artikel 31 lid 6 Vreemdelingenwet Pro 2000 correct heeft toegepast. De rechtbank vond dat de minister de geloofwaardigheid van eiser terecht als onvoldoende heeft beoordeeld vanwege inconsistenties in zijn verklaringen over bedreigingen, functie en motieven. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.