ECLI:NL:RBDHA:2026:18750

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL25.341
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens vertrek zonder bekend verblijf

Eiser heeft op 3 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 24 november 2022. Bij besluit van 26 november 2025 heeft de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat eiser sinds 10 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken zonder zijn verblijfplaats te melden. De gemachtigde van eiser gaf aan dat er na 12 december 2025 geen contact meer was, omdat eiser naar zijn land van herkomst zou zijn teruggekeerd om zijn echtgenote te beschermen. Verweerder bevestigde dat eiser met ondersteuning van een stichting is teruggekeerd en dat een vliegticket was geboekt.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, tenzij contact met de gemachtigde wordt onderhouden. De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Ook het beroep tegen het niet-tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat met het bestreden besluit alsnog op de aanvraag is beslist. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser en bepaalde dat het ten onrechte geheven griffierecht van €194 wordt terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.341

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Procesverloop

Op 3 januari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 24 november 2022.
Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure kennelijk ongegrond verklaard. [1]
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb [2] heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verschenen is de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft de rechtbank bij bericht van 11 december 2025 gemeld dat eiser sinds 10 december 2025 staat geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Eiser heeft op deze laatste datum de opvang verlaten zonder verweerder van zijn nadere verblijfplaats te informeren. Desgevraagd heeft gemachtigde op 12 december 2025 laten weten dat er recent nog contact is geweest met eiser.
2. Op 8 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank geïnformeerd dat zij niet zal verschijnen ter zitting. Voorts wordt toegelicht dat er na het bericht van 12 december 2025 geen contact is geweest met eiser, omdat hij vertrokken zou zijn naar zijn land van herkomst om zijn echtgenote in veiligheid te brengen.
3. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser met de ondersteuning van [stichting] is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Bij verweerder is bekend dat er via de DT&V [3] een vliegticket is geboekt en dat het formulier waarin eiser afstand neemt van zijn lopende procedure niet is ondertekend.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [4]
5. Gelet op de toelichting van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser stelt kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Daarom heeft eiser geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 26 november 2025 niet-ontvankelijk.
Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
6. Nu met het bestreden besluit alsnog op de asielaanvraag van eiser is beslist, heeft eiser geen belang meer bij beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Dat beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. Verweerder heeft niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser beslist. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, zal het verzoek om een proceskostenveroordeling worden toegewezen.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak (ten onrechte) griffierecht is geheven. Nu sprake is van een beroep tegen de afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, was voor de behandeling van het beroep geen griffierecht verschuldigd. De rechtbank bepaalt daarom dat de griffier het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan eiser terugbetaalt.
9. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, omdat eiser die redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het samenhangende beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 26 november 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw en artikel 31, eerste lid, van de Vw.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Dienst terugkeer en vertrek.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.