ECLI:NL:RBDHA:2026:18750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens vertrek zonder bekend verblijf
Eiser heeft op 3 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 24 november 2022. Bij besluit van 26 november 2025 heeft de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
De rechtbank stelde ambtshalve vast dat eiser sinds 10 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken zonder zijn verblijfplaats te melden. De gemachtigde van eiser gaf aan dat er na 12 december 2025 geen contact meer was, omdat eiser naar zijn land van herkomst zou zijn teruggekeerd om zijn echtgenote te beschermen. Verweerder bevestigde dat eiser met ondersteuning van een stichting is teruggekeerd en dat een vliegticket was geboekt.
Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, tenzij contact met de gemachtigde wordt onderhouden. De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
Ook het beroep tegen het niet-tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat met het bestreden besluit alsnog op de aanvraag is beslist. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser en bepaalde dat het ten onrechte geheven griffierecht van €194 wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.