ECLI:NL:RBDHA:2026:18739
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard
Opposant, een Sierra Leoonse asielzoeker geboren in 2006, diende op 9 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 3 juni 2026 ongegrond zonder zitting.
Opposant maakte bezwaar tegen de schriftelijke afdoening vanwege ernstige psychische en lichamelijke klachten, ondersteund door medische verklaringen die stelden dat overdracht aan Kroatië onverantwoord zou zijn en een risico op verergering van traumaklachten en destabilisatie van zijn psychische toestand zou vormen. Tevens was een operatie gepland. Opposant stelde dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid risico loopt op mensonterende behandeling in Kroatië, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU zou betekenen.
De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling van het beroep is, maar slechts toetst of het beroep terecht zonder zitting is afgewezen. De medische omstandigheden waren niet tijdig onderbouwd met stukken, en de rechtbank zag geen reden om de eerdere schriftelijke afdoening te herzien. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 3 juni 2026 bleef in stand.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.