ECLI:NL:RBDHA:2026:18731
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Deelwijze gegrondverklaring beroep tegen afwijzing asielaanvraag en onvoldoende onderzoek opvang
Eiser, een minderjarige met de Gambiaanse nationaliteit, diende op 8 april 2024 een asielaanvraag in die op 17 november 2025 werd afgewezen. Hij vreesde terugkeer vanwege bedreigingen van zijn vader en stiefbroers na de dood van zijn stiefmoeder, waarvoor hij verantwoordelijk werd gehouden. Verweerder betwijfelde de identiteit van eiser en vond het asielrelaas deels ongeloofwaardig, maar erkende de mishandeling door de stiefmoeder.
De rechtbank constateerde dat verweerder eiser onzorgvuldig had geconfronteerd met vermeende inconsistenties over contact met zijn broer, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Desondanks werd de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag gehandhaafd omdat eiser hiertegen geen gerichte gronden had aangevoerd.
Ten aanzien van het amv-buitenschuldbeleid oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mogelijkheid van adequate opvang bij familie, mede gezien het gebrekkige contact van eiser met zijn vader en broer. De aanwezigheid van opvanghuizen in Gambia kon dit gebrek niet compenseren. Daarom werd het besluit op dit punt vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank wees eiser een proceskostenvergoeding toe van €1.868,- wegens het deels gegrond verklaren van het beroep. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep tegen afwijzing asiel ongegrond, beroep tegen niet verlenen verblijfsvergunning gegrond, besluit vernietigd en nieuwe beslissing opgedragen.