ECLI:NL:RBDHA:2026:18695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
K/4502/12090388
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling parkeergeld en schadevergoeding wegens treintje rijden bij Q-Park

Q-Park vordert betaling van parkeergeld en een aanvullende schadevergoeding van de kentekenhouder van een voertuig dat op 4 december 2025 de parkeeraccommodatie Den Haag-Centraal Station heeft verlaten zonder geldig parkeerbewijs, door middel van treintje rijden.

De kantonrechter stelt vast dat het voertuig geregistreerd staat op naam van de gedaagde en dat het vermoeden bestaat dat zij ook de bestuurder was. Dit vermoeden is niet voldoende weerlegd door de gedaagde, die stelde dat de auto was uitgeleend maar geen concrete bewijsstukken aanleverde.

De kantonrechter oordeelt dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Q-Park en de gedaagde en dat de algemene voorwaarden van Q-Park niet onredelijk bezwarend zijn. De vordering tot betaling van het parkeergeld, de aanvullende schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de kentekenhouder tot betaling van parkeergeld, aanvullende schadevergoeding, incassokosten en proceskosten wegens treintje rijden.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
SH/b
Zaaknummer: 12090388 \ RL EXPL 26-3676
Vonnis van 4 juni 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2026 met producties 1 tot en met 5,
- de conclusie van antwoord,
- de akte van 2 april 2026 aan de zijde van Q-Park met productie 6 en een USB met beeldmateriaal.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij is verschenen mw. E.S. Kampinga, namens de gemachtigde van Q-Park. [gedaagde partij] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is het vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Q-Park exploiteert en beheert de parkeeraccommodatie DEN HAAG-Centraal Station (hierna: de parkeeraccommodatie).
2.2.
Het parkeermanagementsysteem en camera’s van Q-Park hebben geregistreerd dat een voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gebruik heeft gemaakt van de parkeeraccommodatie. De auto staat op naam van [gedaagde partij] .
2.3.
Bij de ingang van de parkeeraccommodatie wordt voorafgaand aan het naar binnen rijden de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden van Q-Park kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord. In de algemene voorwaarden staat – voor zover van belang – het volgende:
“5.5 Het met een Motorvoertuig of enig ander voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
5.6
Q-Park is vrij het in artikel 5.5 genoemde bedrag aan aanvullende schadevergoeding jaarlijks te indexeren conform CPI.”
2.4.
De auto is op 4 december 2025 om 18.40 uur de parkeeraccommodatie uitgereden zonder gebruikmaking van een geldig parkeerbewijs door direct achter een voorganger onder de slagboom door te rijden.

3.Het geschil

3.1.
Q-Park vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 458,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van pleging tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
Q-Park legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst en de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. [gedaagde partij] moet daarom het verschuldigde parkeergeld van € 16,00 en een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 betalen. Het parkeergeld moet vóór het verlaten van de parkeeraccommodatie worden betaald. Er is daarmee sprake van een fatale termijn, waarbij [gedaagde partij] van rechtswege in verzuim is komen te verkeren direct nadat de parkeervergoeding opeisbaar was. [gedaagde partij] heeft de vordering ook na sommatie niet betaald. Zij is daarom ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 59,76 verschuldigd.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en voert aan dat – hoewel zij kentekenhouder is van de betreffende auto – zij op de datum waarop de gestelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, niet de bestuurder van de auto was. De auto was op dat moment uitgeleend aan iemand anders. Er is daarom tussen haar en Q-Park geen overeenkomst tot stand gekomen. Het enkele feit dat iemand kentekenhouder is, maakt haar niet automatisch contractspartij. [gedaagde partij] verzoekt de vordering van Q-Park daarom af te wijzen en Q-Park te veroordelen in de proceskosten.
4. De beoordeling
[gedaagde partij] moet aan Q-Park € 398,41 en de wettelijke rente daarover betalen
4.1.
[gedaagde partij] erkent dat zij de kentekenhouder van de auto is, maar betwist dat zij op de datum van de gebeurtenis de bestuurder van de auto was. Volgens [gedaagde partij] maakt het enkele feit dat zij kentekenhouder van de auto is, haar geen partij bij de overeenkomst. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
4.2.
Vast staat dat de auto op 4 december 2025 in de parkeeraccommodatie is geweest, dat bij het binnenrijden van de parkeeraccommodatie een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen met de bestuurder van de auto en dat de bestuurder op voornoemde datum de parkeeraccommodatie is uitgereden door achter een andere auto onder de slagboom door te rijden. Dit wordt ook wel ‘treintje rijden’ genoemd. Er is geen wettelijke grondslag om de kentekenhouder zonder meer als contractspartij van Q-Park aan te merken. Uit de registratie als kentekenhouder kan echter wel een gerechtvaardigd vermoeden worden afgeleid dat de kentekenhouder ook de bestuurder van de auto is. Het ligt dan – anders dan [gedaagde partij] stelt – op de weg van de kentekenhouder om dat vermoeden te weerleggen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat iemand anders in de auto reed of dat zij op dat moment niet in de auto kon rijden.
4.3.
[gedaagde partij] heeft niet onderbouwd dat iemand anders de bestuurder was ten tijde van de gebeurtenis. De enkele, niet concreet onderbouwde stelling dat de auto ten tijde van de gebeurtenis aan iemand anders was uitgeleend, is daarvoor onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen aan te geven wie op dat moment wel de bestuurder van de auto was. Dit heeft zij niet gedaan. [gedaagde partij] is niet ter zitting verschenen, waardoor enige andere onderbouwing dan wel een reactie van [gedaagde partij] is uitgebleven. Dit maakt dat [gedaagde partij] naar oordeel van de kantonrechter het rechtsvermoeden dat zij de bestuurder van de auto is geweest, onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Q-Park en [gedaagde partij] .
4.4.
Nu vast staat dat [gedaagde partij] contractspartij van Q-Park is geweest en [gedaagde partij] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of sprake is van oneerlijke en dus onredelijk bezwarende bedingen in de algemene voorwaarden die aan toewijzing van de vorderingen in de weg staan. De kantonrechter oordeelt dat hiervan geen sprake is.
4.5.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen tot betaling van het verschuldigde parkeergeld van € 16,00 en de aanvullende schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Er is immers vast komen te staan dat de auto op 4 december 2025 de parkeeraccommodatie – in strijd met artikel 5.5 van de algemene voorwaarden – al treintje rijdend heeft verlaten. Omdat [gedaagde partij] het parkeergeld en de aanvullende schadevergoeding niet op tijd heeft betaald en zij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gebeurtenis (4 december 2025).
[gedaagde partij] moet aan Q-Park € 59,76 aan buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente daarover betalen
4.6.
Q-Park vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde partij] is een consument. De kantonrechter moet daarom controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde partij] op 11 december 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 59,76 worden toegewezen.
4.7.
Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.8.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
127,08
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
483,58

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 458,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 398,41 vanaf 4 december 2025 en over € 59,76 vanaf de dag van dagvaarding, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 483,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. van der Burg, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.