ECLI:NL:RBDHA:2026:18676
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep asiel na toekenning afgeleid verblijfsrecht
Eiser diende een asielaanvraag in die op 9 februari 2026 door de minister werd afgewezen. Vervolgens verleende de minister op 2 juni 2026 aan eiser een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro (Chavez-Vilchez). Eiser trok daarop het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in en verzocht om een proceskostenveroordeling van de minister.
De rechtbank overwoog dat een proceskostenveroordeling alleen kan worden toegewezen indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen door het oorspronkelijke besluit te herzien op gronden die een erkenning van onrechtmatigheid impliceren. In deze zaak was het afgeleid verblijfsrecht toegekend in een afzonderlijke procedure na het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was om bij de afwijzing van de asielaanvraag ambtshalve te toetsen op een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Het besluit van 9 februari 2026 was daarom niet onrechtmatig. Gezien het voorgaande wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling af.
De uitspraak werd gedaan door rechter A. Sibma en griffier M. Veenstra - van der Veen, en is gepubliceerd op 7 juli 2026. Partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af omdat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister.