ECLI:NL:RBDHA:2026:18649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL25.46592 en NL25.34621
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 1a VluchtelingenverdragArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvolledige geloofwaardigheidsbeoordeling

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister op 12 september 2025 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheid van belangrijke onderdelen van het asielrelaas, met name de problemen met een familielid en de criminele broer, niet heeft beoordeeld. Dit leidt tot een onvolledig onderzoek.

Eiser onderbouwde zijn vrees voor eerwraak en gedwongen criminele activiteiten met verklaringen en documenten, waaronder getuigenverklaringen en sociale media berichten. De minister erkende dat het laatste incident met de familielid in 2021 plaatsvond, maar sloot een reëel risico op ernstige schade uit zonder een volledige geloofwaardigheidsbeoordeling.

De rechtbank stelt dat de minister onzorgvuldig en onjuist heeft gemotiveerd en dat het ontbreken van een volledige beoordeling van het asielrelaas de afwijzing niet kan dragen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met volledige beoordeling van het asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.46592 en NL25.34621

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Malwand-Baraki als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij een relatie had met [naam 1] , de zus van [naam 2] . [naam 2] is hierachter gekomen en heeft eiser in zijn hand gestoken. Later heeft hij eiser met een mes van achteren aangevallen en in zijn rug gestoken. Hierdoor zijn eisers longen geperforeerd. Hiervoor heeft eiser drie dagen in het ziekenhuis gelegen. Na dit incident is eiser gevlucht naar België. In 2021 is hij uitgezet door België en teruggekeerd naar Afghanistan. Eiser heeft verklaard dat hij toen klusjes heeft moeten verrichten voor zijn criminele broer [broer] , die drugs verhandelt. Eiser is daarom naar Iran ( [plaats] ) gegaan, waar hij werkte in de slagerij van zijn oom. Daar kwam [naam 2] eiser opzoeken. Bij dit incident is een neef van eiser doodgestoken. Eisers oom en een andere neef zijn gearresteerd en zitten nu in de gevangenis. Eiser stelt dat de vader van [naam 2] lid is van de Taliban. Hij heeft een gegronde vrees voor eerwraak. Daarnaast stelt eiser dat hij bij terugkeer opnieuw door zijn broer [broer] zal worden ingezet voor criminele activiteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst,
- de problemen met [naam 2] ,
- de problemen met eisers broer [broer] .
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn.
De minister heeft eisers problemen met [naam 2] en de problemen met eisers broer [broer] niet beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat het geloofwaardig achten van eisers verklaringen toch niet kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning.
4.1.
Over het geloofwaardig bevonden asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [2] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. [3]
4.2.
Ten aanzien van de gestelde problemen met [naam 2] ziet de minister niet in dat eiser nog gezocht zou worden door [naam 2] , eiser heeft hier geen concrete indicaties voor. Eisers verklaringen berusten volgens de minister op vermoedens en aannames. Ook heeft eiser geen concrete aanwijzingen dat hij bij terugkeer door broer [broer] ingezet zal worden voor criminele activiteiten. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Het betoog van eiser
5. Eiser stelt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vreest voor eerwraak en dat hij problemen zal krijgen met zijn criminele broer [broer] . Eiser heeft hier voldoende duidelijk over verklaard. Ter onderbouwing van eisers vrees voor [naam 2] heeft hij bovendien meerdere documenten overgelegd, namelijk een verklaring van zijn moeder, een verklaring van [naam 3] , foto’s, screenshots van facebookberichten en landeninformatie van Vluchtelingenwerk. Volgens eiser heeft hij daarmee een concrete en persoonlijke dreiging aangetoond. Eiser meent verder dat de minister onvoldoende gemotiveerd voorbij gaat aan het door eiser gestelde feit dat het laatste incident met [naam 2] in 2021 was en dus niet in 2015, zoals de minister in het bestreden besluit heeft overwogen. Ter onderbouwing van eisers vrees voor zijn broer [broer] heeft eiser naast zijn verklaringen een document overgelegd waaruit valt op te maken dat zijn broer op dit moment in Afghanistan verblijft.
Eiser benadrukt dat bij beoordeling van de vraag of hij gegronde vrees voor vervolging heeft, alle omstandigheden in onderling verband moeten worden betrokken. Verder is van belang dat eiser zijn geloof bijna niet uitoefent. Hij bidt niet, vast niet, gaat niet naar de moskee en hij verblijft al geruime tijd niet in Afghanistan. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit volgt dat de minister bij zijn beoordeling of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt of hij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang beziet. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. [4] Eiser betoogt dat het verblijf in het Westen, in combinatie met de andere individuele factoren en de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, ertoe leiden dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft en dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
Het oordeel van de rechtbank
6. Eiser heeft zich met verwijzing naar zijn verklaringen en overgelegde documenten, op het standpunt gesteld dat hij een concrete en persoonlijke dreiging heeft aangetoond. Ten aanzien van de problemen met [naam 2] heeft eiser verklaard dat hij in totaal drie keer is aangevallen door [naam 2] . De eerste keer in 2014, waarbij [naam 2] eiser had betrapt met [naam 1] en hij door [naam 2] in zijn hand is gestoken. Ongeveer tien dagen later is hij opnieuw aangevallen waarbij zijn longen zijn geperforeerd en eiser bijna is overleden. Het laatste incident vond plaats in 2021. Toen is eiser voor de derde keer aangevallen door een groep mannen, waaronder [naam 2] , wanneer hij aan het werk was in de slagerij in [plaats] .
7. De minister heeft de problemen met [naam 2] niet beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister erkent in het verweerschrift dat het laatste incident met [naam 2] niet in 2015, maar in 2021 plaats zou hebben gevonden, maar volgt het standpunt van eiser niet dat hieruit zou volgen dat bij terugkeer sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister wijst op eisers verklaring dat hij [naam 2] niet daadwerkelijk heeft gezien ten tijde van het laatste incident, maar slechts vermoed dat [naam 2] betrokken was, omdat [naam 2] de enige is waar eiser problemen mee heeft.
8. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de minister heeft erkend dat het laatste incident met [naam 2] , waarover eiser heeft verklaard, niet plaatsvond in 2015 (dus voor zijn vlucht naar België), maar na zijn terugkeer naar Afghanistan in 2021 en tijdens zijn verblijf in [plaats] . In zoverre is aan het bestreden besluit een onzorgvuldige voorbereiding en onjuiste motivering ten grondslag gelegd. In de tweede plaats betreft dit een wezenlijk onderdeel van eisers asielrelaas. Eiser heeft immers aangevoerd dat (zelfs) na zijn verblijf in België gedurende een aantal jaren en terugkeer naar Afghanistan, hij opnieuw door [naam 2] is aangevallen. Volgens eiser volgt daaruit ook dat zijn vrees voor eerwraak bij terugkeer naar Afghanistan nog steeds actueel en reëel is. Ook daar is de minister in het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij gegaan. In de derde plaats heeft eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas meerdere documenten overgelegd, namelijk een verklaring van zijn moeder, een verklaring van [naam 3] , foto’s, screenshots van facebookberichten en landeninformatie van Vluchtelingenwerk. Weliswaar zijn deze documenten na het nemen van het bestreden besluit overgelegd, zodat de minister niet kan worden verweten dat hij deze documenten niet bij de beoordeling heeft betrokken, maar de rechtbank is van oordeel dat de onzorgvuldige voorbereiding en onjuiste motivering van het besluit, die de kern van eisers asielrelaas betreft, in samenhang met de in de beroepsfase overgelegde documenten, met zich brengen dat de minister (alsnog) tot een geloofwaardigheidsbeoordeling dient over te gaan. In dat kader kan de minister ook het nader ingenomen standpunt betrekken, dat eiser [naam 2] ten tijde van het laatste incident niet daadwerkelijk zou hebben gezien; dit betreft immers (een aspect van) de geloofwaardigheidsbeoordeling. Pas op basis van die geloofwaardigheidsbeoordeling kan de minister naar het oordeel van de rechtbank besluiten of eisers gestelde vrees voor eerwraak gegrond is en tot een verblijfsvergunning dient te leiden, of niet. Omdat de minister de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas in zijn geheel nog niet heeft beoordeeld en daarover (dus) ook geen standpunt heeft ingenomen, is het onderzoek onvolledig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om thans een eigen oordeel over de geloofwaardigheid in de plaats van de minister te stellen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. [5] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet nader te worden besproken. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9.1
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [6]
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
9.3.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Het beroep niet tijdig beslissen met zaaknummer NL25.34621
10. Namens eiser is op 28 juli 2025 beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser. Dit beroep is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb ook gericht tegen het bestreden besluit. Dit maakt dat er twee beroepszaken aanhangig zijn tegen het bestreden besluit, namelijk de zaken NL25.46592 en NL25.34621. Nu de minister al een besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen, het beroep met zaaknummer NL25.46592 op zitting door de rechtbank is behandeld en de rechtbank hierover thans een uitspraak doet, betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Van een ander (proces)belang is de rechtbank niet gebleken. In zoverre acht de rechtbank dan ook geen procesbelang aanwezig met betrekking tot de zaak NL25.34621. De rechtbank zal het beroep in NL25.34621 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
11. Omdat eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser niet ten onrechte heeft ingesteld, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschrijden.
12. Opgeteld bij de vergoeding die de minister volgens rechtsoverweging 9.3 moet betalen, zal de rechtbank de minister veroordelen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser (totaal).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser,
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.34621 niet
-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
3.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.