Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr.L.S. Lodder, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Russische asielzoeker die op 20 juni 2026 in Nederland aankwam en een asielaanvraag indiende, werd direct een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister motiveerde deze maatregel met het bezit van een Schengenvisum afgegeven door Frankrijk, het niet voldoen aan toegangsvoorwaarden, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
Eiser betwistte de feitelijke gronden niet, maar stelde dat deze algemene gronden voor iedere asielzoeker gelden en dat de minister niet had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn en dat het risico op onderduiken en belemmering van de verwijderingsprocedure daarmee is onderbouwd.
Verder stelde eiser dat geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling was uitgevoerd, terwijl hij tot een potentieel kwetsbare groep behoort. De minister stelde dat een screening had plaatsgevonden zonder aanwijzingen voor kwetsbaarheid. De rechtbank vond geen reden om aan deze verklaring te twijfelen.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste en dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.