ECLI:NL:RBDHA:2026:1863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4798
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 VwArt. 59 VwArt. 3 Awob
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, een Haïtiaanse vreemdeling, werd op 28 januari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 30 januari 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.

Eiser voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was vanwege een vermeend ontbreken van een rechtsgeldige ondertekening van de machtiging tot binnentreden. De rechtbank stelde vast dat de machtiging wel degelijk rechtsgeldig elektronisch was ondertekend. Daarnaast stelde eiser dat de staandehouding onrechtmatig was omdat het terugkeerbesluit gericht was op Haïti, terwijl in het proces-verbaal sprake was van terugkeer naar Panama. De rechtbank oordeelde dat verweerder op basis van een removal order voor Panama een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mocht aannemen en de staandehouding daarom gerechtvaardigd was.

Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting. De rechtbank concludeerde dat verweerder adequaat had gehandeld, gezien de snelle opheffing van de bewaring na een toegewezen voorlopige voorziening. De ambtshalve toetsing leidde eveneens tot het oordeel dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4798

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 30 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Haïtiaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ondertekening machtiging tot binnentreden
3. Eiser voert aan dat het binnentreden onrechtmatig is geweest, omdat hij niet kan verifiëren dat de machtiging tot binnentreden is ondertekend door één van de personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Awob. [2]
4. De rechtbank heeft in het digitale dossier gecontroleerd of de machtiging tot binnentreden is voorzien van een rechtsgeldige elektronische handtekening en vastgesteld dat dit het geval is.
Staandehouding
5. Eiser voert verder aan dat sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding, omdat in het proces-verbaal van de staandehouding is opgenomen dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn terugkeer naar Panama. Het terugkeerbesluit van 28 april 2025 is namelijk gericht op een terugkeer naar Haïti.
6. De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit van 28 april 2025 is opgenomen dat eiser dient terug te keren naar Haïti, zijn land van herkomst. Hier is de maatregel van bewaring ook op gebaseerd. Hoewel in het proces-verbaal van staandehouding is opgenomen dat eiser niet of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn terugkeer naar Panama blijkt uit het dossier dat op 1 september 2023 een removal order is afgegeven voor gedwongen terugkeer naar Panama. Dit betekent dan ook dat verweerder op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf heeft mogen aannemen en eiser dan ook heeft mogen staandehouden. Als blijkt dat verweerder toch zal overgaan tot een gedwongen terugkeer naar Panama, al dan niet door gebruik te maken van een removal order, dan dient hij een aanvullend of gewijzigd terugkeerbesluit te nemen. [3] Nu nog geen sprake is van een gedwongen uitzetting, is dat nog niet nodig geweest.
Voortvarend handelen
7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In eisers geval is sprake van een geplande inbewaringstelling, zodat verweerder bepaalde handelingen ter voorbereiding op de uitzetting sneller dient te verrichten. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling [4] van 6 juni 2019. [5] Uit het dossier blijkt verder niet dat verweerder aan KLM [6] heeft verzocht eiser uit te zetten. Ook is niet gebleken dat een LP [7] -aanvraag is verzonden naar de Haïtiaanse autoriteiten.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt dat aan eiser op 28 januari 2026 de maatregel van bewaring is opgelegd. Op 29 januari 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden waarin aan eiser is medegedeeld dat verweerder aan KLM heeft verzocht de removal order te effectueren. Op 30 januari 2026 heeft de Afdeling een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarna de maatregel van bewaring op dezelfde dag is opgeheven.
Ambtshalve toets
9. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet op het binnentreden.
3.ABRvS 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2843.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 6 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1855.
6.Koninklijke Luchtvaart Maatschappij.
7.Laissez-passer.