ECLI:NL:RBDHA:2026:18620

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL25.60533
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000Art. 1.24 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 1.27 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingesteld tegen niet tijdig besluit gezinshereniging

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn ouders, zussen en broers. De aanvraag werd ingediend op 31 januari 2025 en de beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, liep uiterlijk tot 1 augustus 2025. Verweerder heeft geen besluit genomen binnen deze termijn.

Op 26 november 2025 is verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld en op 9 december 2025 heeft eiser het beroep ingediend. Echter, tussen de ingebrekestelling en het beroep zijn geen twee weken verstreken, waardoor het beroep prematuur is en niet-ontvankelijk verklaard wordt. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank baseert haar oordeel op de artikelen 6:2 en 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2u van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank wijst erop dat de aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het moment van ontvangst van de aanvraag. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur is ingesteld vóór het verstrijken van de wettelijke termijn na ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60533

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn ouders, zussen en broers.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De aanvraag is ingediend op 31 januari 2025. Verweerder moet op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen beslissen. [2] Onder verwijzing naar de laatste volzin van dit artikellid heeft verweerder de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 1 augustus 2025 een besluit moeten nemen. De termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen is daarom voorbij zonder dat er een besluit is genomen. Verweerder is op 26 november 2025 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Op 9 december 2025 is het beroep ingesteld. Evenwel zijn er tussen de ingebrekestelling en het beroep geen twee weken verstreken, zodat het beroep prematuur is ingesteld.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van O. Schep, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Zie artikel 1.27 in samenhang met artikel 1.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit betekent dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 2u, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5787.