ECLI:NL:RBDHA:2026:18556
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding na inwilliging verblijfsrecht op grond van arrest Safi
Eiseres diende op 13 november 2020 een aanvraag in voor een EU/EER-document als bewijs van afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro vanwege verblijf bij haar Nederlandse zoon. Verweerder wees deze aanvraag aanvankelijk af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, dat op 4 juni 2026 het arrest Safi wees. Naar aanleiding daarvan nam verweerder een inwilligend besluit en stelde de ingangsdatum van het verblijfsrecht vast op de geboortedatum van de Nederlandse zoon van eiseres.
De einduitspraak van 6 juli 2026 betreft uitsluitend de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank constateert dat de door verweerder aangeboden vergoeding onvolledig is en kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe vanwege de zwaarte van de prejudiciële procedure. Tevens worden reis- en verblijfskosten van de gemachtigde die eiseres in deze procedure bijstaat, alsmede het griffierecht voor de voorlopige voorziening, bij de proceskosten betrokken. De eigen bijdrage van eiseres wordt niet vergoed.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €11.758,20 aan proceskosten. Eiseres stemt in met het inwilligende besluit en trekt het beroep in, maar verzoekt om uitspraak over de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €11.758,20 aan proceskosten aan eiseres na inwilliging van haar verblijfsrecht.