ECLI:NL:RBDHA:2026:18527
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 17 maart 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds eerder getoetst in uitspraken van 23 april 2026 en 10 juni 2026.
Uit een voortgangsrapportage bleek dat de bewaring op 22 juni 2026 was opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank oordeelde dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 3 juni 2026 rechtmatig was.
Eiser stelde dat de belangenafweging ten gunste van hem eerder had moeten plaatsvinden, omdat hij niet meewerkte aan zijn uitzetting en een presentatie gepland stond op 30 juni 2026. De rechtbank vond echter dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, met aanvragen van laissez-passer, pogingen tot presentatie en meerdere vertrekgesprekken. Er waren geen feiten die een eerdere opheffing rechtvaardigden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.