ECLI:NL:RBDHA:2026:16560
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 17 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 21 april 2026.
In dit vervolgberoep betoogde eiser dat de gronden voor de bewaring niet meer konden dragen, dat een lichter middel had moeten worden toegepast, en dat de minister niet voortvarend handelde met betrekking tot zijn uitzetting naar Gambia. De rechtbank oordeelde dat de gronden en het ontbreken van een lichter middel reeds in het eerste beroep waren beoordeeld en dat eiser geen nieuwe feiten had aangevoerd. De minister had voldoende voortvarend gehandeld door herhaaldelijk contact te zoeken met de Gambiaanse autoriteiten en een vertrekgesprek te voeren.
Daarnaast werd het arrest Aroja betrokken, dat stelt dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat verlengingsbesluiten tijdig moeten worden genomen. De minister gaf aan dat eiser eerder in bewaring was gesteld van maart tot mei 2022 en sinds maart 2026 opnieuw, waarbij de termijn van zes maanden voor verlenging nog niet was verstreken.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig blijft en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.