Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29827
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 17 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 21 april 2026.

In dit vervolgberoep betoogde eiser dat de gronden voor de bewaring niet meer konden dragen, dat een lichter middel had moeten worden toegepast, en dat de minister niet voortvarend handelde met betrekking tot zijn uitzetting naar Gambia. De rechtbank oordeelde dat de gronden en het ontbreken van een lichter middel reeds in het eerste beroep waren beoordeeld en dat eiser geen nieuwe feiten had aangevoerd. De minister had voldoende voortvarend gehandeld door herhaaldelijk contact te zoeken met de Gambiaanse autoriteiten en een vertrekgesprek te voeren.

Daarnaast werd het arrest Aroja betrokken, dat stelt dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat verlengingsbesluiten tijdig moeten worden genomen. De minister gaf aan dat eiser eerder in bewaring was gesteld van maart tot mei 2022 en sinds maart 2026 opnieuw, waarbij de termijn van zes maanden voor verlenging nog niet was verstreken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig blijft en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29827

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 23 april 2026. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De rechtbank heeft op 3 juni 2026 aan de minister verzocht om haar te informeren over de verschillende periodes dat eiser in bewaring is gesteld ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 8 juli 2021. De minister heeft op 4 juni 2026 gevolg gegeven aan dit verzoek. Vervolgens heeft eiser gereageerd op de voortgangsrapportage.
De rechtbank heeft op 4 juni 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [2]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 21 april 2026.
Gronden van de maatregel
3. Eiser voert aan dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
3.1.
De stelling dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen, ligt in het vervolgberoep niet ter toetsing voor. De gronden van de maatregel zijn al getoetst in de uitspraak van 23 april 2026 op het eerste beroep van eiser en zijn voldoende bevonden. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 2 van deze uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd.
4.1.
De rechtbank merkt op dat eiser deze beroepsgrond eerder heeft aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 23 april 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 3.1 van die uitspraak. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt en dat de minister niet voldoende voortvarend handelt. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek van 18 maart 2026 aangegeven dat hij in Gambia is geboren, maar dat zijn ouders in Guinee zijn geboren. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om bij de Gambiaanse autoriteiten te verifiëren of aan eiser wel een laissez-passer (lp) voor Gambia wordt verstrekt. Ook handelt de minister niet voortvarend, omdat – na de vorige presentatiedatum van 14 april 2026 – nog steeds geen nieuwe presentatie is gepland bij de Gambiaanse autoriteiten.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 23 april 2026 en 15 mei 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Gambiaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een lp en het voeren van een vertrekgesprek op 6 mei 2026. Dat nog niet duidelijk is wanneer eiser gepresenteerd zal worden bij de Gambiaanse autoriteiten, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister is voor het plannen van een presentatie en het realiseren van een daadwerkelijk vertrek immers afhankelijk van de werkwijze van de Gambiaanse autoriteiten. De rechtbank merkt daarbij op dat de geplande presentatie in persoon op 14 april 2026 niet heeft plaatsgevonden, omdat eiser destijds niet is verschenen.
De rechtbank volgt eisers standpunt – dat het op de weg van de minister had gelegen om bij de Gambiaanse autoriteiten te verifiëren of aan hem wel een lp zal worden verstrekt – niet. De Gambiaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Aan de Gambiaanse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Daar komt bij dat door eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Tot slot merkt de rechtbank op dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest Aroja
6. Naar aanleiding van een bericht van de gemachtigde van eiser, dat in de voortgangsrapportage informatie ontbreekt over de periodes dat eiser in bewaring is gesteld ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 8 juli 2021, heeft de rechtbank op 3 juni 2026 de minister verzocht om hierover inlichtingen te verschaffen, gelet op het arrest Aroja. [4] Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen.
6.1.
De minister heeft op 4 juni 2026 gevolg gegeven aan dit verzoek en aangegeven dat eiser eerder, van 3 maart 2022 tot 10 mei 2022, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Eiser verblijft thans vanaf 17 maart 2026 in bewaring. De datum waarop de zes maanden zijn verstreken (en waarop een besluit tot verlenging moet zijn genomen) is 5 juli 2026.
Ambtshalve toetsing
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9810.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
3.ABRvS 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3003.
4.ECLI:EU:C:2026:148.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (