De rechtbank Den Haag heeft op 4 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ruim 7 kilo MDMA naar Chili. De pakketten met drugs werden op 17 maart 2025 aangeboden bij een postpunt in Den Helder en op 19 maart 2025 onderschept door de douane in Den Haag. De verdachte ontkende opzet, maar de rechtbank verwierp dit verweer op grond van tegenstrijdige verklaringen en gedragingen die duidden op kennis van de illegale inhoud.
De rechtbank verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk de pakketten met MDMA buiten Nederland heeft gebracht. Medeplegen werd niet bewezen verklaard. De strafbaarheid van het feit en de verdachte werd bevestigd. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, met aftrek van voorarrest, passend bij de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven, maar de rechtbank oordeelde dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf noodzakelijk is vanwege het gevaar voor herhaling, mede gelet op een in de auto aangetroffen telefoon met inhoud die duidt op drugshandel. Tevens werd een telefoon die als bewijsmateriaal diende onttrokken aan het verkeer.