Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zitting hebben:
Procesverloop
Beslissing
Overwegingen
mogenbeoordelen of de direct voorafgaande maatregel onrechtmatig is en dit doorwerkt in de rechtmatigheidsbeoordeling van de te toetsen maatregel, de rechtsbescherming voor de inbewaringgestelde vreemdeling nog verder uitholt. Het is aan de rechter om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel te beoordelen en de omvang van deze verplichting kan niet afhankelijk worden gesteld van het erkennen van het onrechtmatige karakter van de voorgaande maatregel door verweerder. Een gevolg van de schottentheorie is dat verweerder in staat is om te voorkomen dat een onrechtmatige maatregel tot opheffing van de maatregel leidt door te zorgen dat ten tijde van de rechterlijke controle de vreemdeling (wél) rechtmatig in bewaring wordt gehouden. Het kan niet zo zijn dat verweerder, in het geval geen sprake is van kwade trouw of misleiding, kan voorkomen dat de rechter -zelf- een rechtmatigheidsbeoordeling verricht van de voorgaande maatregel. De rechtbank begrijpt de verwijzing van de Afdeling in deze uitspraak naar eerdere rechtspraak waaruit volgt dat “uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht, tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, of artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, moet worden ingesteld’. De kennelijk gewenste eenvoud en overzichtelijkheid kan echter nimmer leiden tot een beperking van de verplichting en bevoegdheid van de bewaringsrechter om de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te controleren en te beoordelen. Het Hof heeft in de arresten C.B.X van 8 november 2022 [6] , Bouskoura [7] en Adrar [8] namelijk buitengewoon helder verwoord dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van Pro het Handvest verankerde recht op vrijheid. De rechtbank overweegt dan ook dat de verplichting van de bewaringsrechter om alle feiten en omstandigheden te onderzoeken die de bewaringsrechter noodzakelijk acht dus niet -kunnen- worden beperkt door verweerder. Dit heeft het Hof bovendien expliciet overwogen in het arrest C.B.X.. In punt 87 heeft het Hof namelijk overwogen dat de bevoegde rechterlijke autoriteit moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van de maatregel te kunnen beoordelen.