ECLI:NL:RBDHA:2026:1826
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde en toepassing glijdende schaal
Eiser, houder van een verblijfsvergunning asiel, betwist de intrekking van zijn vergunning door de minister vanwege een gevaar voor de openbare orde. De minister baseert de intrekking op meerdere veroordelingen en toepassing van de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank oordeelt dat de minister de glijdende schaal correct heeft toegepast, ook gezien de verblijfsduur van eiser en de aard van de gepleegde misdrijven.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd is met artikel 3 en Pro 8 EVRM, en dat de belangenafweging onvoldoende is gemaakt, met name vanwege zijn familie- en gezinsleven en de belangen van zijn kinderen. De rechtbank stelt dat de minister een gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt en dat de door eiser overgelegde stukken, waaronder een BIC-rapportage, onvoldoende concreet zijn om de belangenafweging te weerleggen.
Verder is de intrekking met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2018 geoorloofd, omdat eiser geen vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus had, zodat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een Chavez-verblijfsrecht, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie met zijn kinderen bestaat.
De minister mocht bovendien een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opleggen en een zwaar inreisverbod van tien jaar instellen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het zwaar inreisverbod.