AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde en toepassing glijdende schaal
Eiser, houder van een verblijfsvergunning asiel, betwist de intrekking van zijn vergunning door de minister vanwege een gevaar voor de openbare orde. De minister baseert de intrekking op meerdere veroordelingen en toepassing van de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank oordeelt dat de minister de glijdende schaal correct heeft toegepast, ook gezien de verblijfsduur van eiser en de aard van de gepleegde misdrijven.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd is met artikel 3 enPro 8 EVRM, en dat de belangenafweging onvoldoende is gemaakt, met name vanwege zijn familie- en gezinsleven en de belangen van zijn kinderen. De rechtbank stelt dat de minister een gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt en dat de door eiser overgelegde stukken, waaronder een BIC-rapportage, onvoldoende concreet zijn om de belangenafweging te weerleggen.
Verder is de intrekking met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2018 geoorloofd, omdat eiser geen vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus had, zodat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een Chavez-verblijfsrecht, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie met zijn kinderen bestaat.
De minister mocht bovendien een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opleggen en een zwaar inreisverbod van tien jaar instellen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het zwaar inreisverbod.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14060
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt allereerst dat de minister de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken. De minister heeft de glijdende schaal op de juiste wijze toegepast, en de intrekking is niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De minister mocht de verblijfsvergunning daarnaast met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2018 intrekken. Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister – na intrekking van de verblijfsvergunning – geen ander verblijfsrecht aan eiser had hoeven verlenen op basis van het arrest Chavez-Vilchez [2] (een zogenoemd Chavez-verblijfsrecht). De minister was daarom gehouden om tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uit te vaardigen. Dit betekent dat eiser Nederland [3] meteen moet verlaten. Daarnaast mocht de minister aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opleggen.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 legt de rechtbank uit welke verblijfsvergunningen eiser in het verleden heeft gehad en onder 4 staat waarom de minister de verblijfsvergunning van eiser heeft ingetrokken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2024 de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2018 ingetrokken, tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitgevaardigd, hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en hem in het SIS gesignaleerd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon A] (partner van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De verblijfsvergunning van eiser
3. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Met het besluit van 4 december 2006 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis. [4] Deze verblijfsvergunning was geldig van 10 februari 2005 tot 10 februari 2010. Daarna heeft de minister eiser met het besluit van 1 juni 2010 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning was geldig vanaf 10 februari 2010.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit blijkt volgens de minister uit het feit dat eiser meer dan drie misdrijven heeft gepleegd, is veroordeeld tot verschillende taak- en gevangenisstraffen en eiser in ieder geval vanaf de negende veroordeling voldoet aan de norm van de glijdende schaal uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De minister vindt de intrekking van de verblijfsvergunning ook evenredig en niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser bij terugkeer naar Irak zal worden vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser weliswaar privé- en familie- en gezinsleven in Nederland, maar valt de belangenafweging in zijn nadeel uit. De minister heeft de verblijfsvergunning daarom ingetrokken. Volgens de minister komt eiser niet in aanmerking voor een ander verblijfsrecht. Daarom heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. In dat terugkeerbesluit heeft de minister eiser geen vertrektermijn gegeven, omdat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. [5] In het verlengde hiervan heeft de minister eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en hem gesignaleerd in het SIS.
Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser intrekken?
5. Eiser betoogt dat de minister de verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken.
Toetsingskader
5.1.
De minister kan de verblijfsvergunning van eiser intrekken als hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat is het geval als eiser onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of langer is bedreigd [6] en hij voldoet aan de norm van een van de glijdende schalen uit artikel 3.86 van het Vb 2000. [7] De minister mag een verblijfsvergunning echter niet intrekken als de terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM, als de intrekking in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM [8] of als de intrekking onevenredig is. [9]
Toepassing van de glijdende schaal
6. Eiser stelt dat de minister de glijdende schaal niet op de juiste wijze heeft toegepast. Bij de toepassing van de glijdende schaal is de minister ervan uitgegaan dat eiser sinds 10 februari 2005 een verblijfsrecht heeft. De minister gaat daarmee echter voorbij aan het feit dat eiser al sinds 1997 in Nederland verblijft en heeft niet gemotiveerd waarom deze periode niet in aanmerking kan worden genomen. Dat is volgens eiser van belang, omdat de minister de verblijfsvergunning van eiser na twintig jaar verblijf niet meer mag intrekken. Daar komt volgens eiser nog bij dat hij in die periode geen strafbare feiten heeft gepleegd, zodat deze periode in zijn voordeel moet worden meegewogen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft de glijdende schaal op de juiste wijze toegepast. Als een vreemdeling een verblijfsduur van tien jaar of langer heeft, dan mag de minister een verblijfsvergunning in beginsel niet meer intrekken. Dat is echter anders als de vreemdeling, onder meer, een misdrijf uit de Opiumwet heeft gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of langer is gesteld. [10] Het is tussen partijen niet in geschil dat hier in het geval van eiser sprake van is en dat eiser meer dan drie misdrijven heeft gepleegd. Daarom mocht de minister nog steeds toepassing geven aan de glijdende schaal uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000, ook al heeft eiser inmiddels een verblijfsduur van meer dan tien jaar. De minister is ook van de juiste verblijfsduur uitgegaan. Bij de toepassing van de glijdende schaal wordt onder ‘verblijfsduur’ namelijk verstaan de duur van het rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen. [11] Het is dus bij de berekening van de verblijfsduur niet van belang dat eiser feitelijk al eerder in Nederland verbleef voordat hij rechtmatig verblijf kreeg en gedurende deze periode (van niet-rechtmatig verblijf) geen strafbare feiten heeft gepleegd. Eiser is met ingang van 10 februari 2005 voor het eerst in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning en heeft dus ook pas vanaf dat moment rechtmatig verblijf in Nederland. De minister is dan ook terecht uitgegaan van een verblijfsduur van dertien jaar op het moment dat eiser het misdrijf pleegde dat aanleiding gaf voor de intrekking van de verblijfsvergunning (op 14 oktober 2018). Overigens had een verblijfsduur van meer dan twintig jaar in het geval van eiser niet tot een andere conclusie met betrekking tot de norm van de glijdende schaal geleid. In het Vb 2000 staat al sinds 2012 niet meer dat de minister een verblijfsvergunning niet mag intrekken bij een verblijfsduur van twintig jaar of langer. [12] Daarnaast zou eiser ook in het geval van een verblijfsduur van meer dan twintig jaar aan de norm van de glijdende schaal voldoen. De norm zou bij een verblijfsduur van twintig jaar namelijk 14 maanden bedragen, en eiser is tot en met het misdrijf van 14 oktober 2018 veroordeeld tot, in totaal, 39 maanden en 16 dagen gevangenisstraf.
7. Het betoog van eiser dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM slaagt niet. Eiser heeft in dit verband weliswaar gesteld dat hij bij terugkeer naar Irak een groot risico loopt op ernstige schade en een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM verwacht, maar hij heeft dat betoog niet onderbouwd. Daarnaast wijst de minister er terecht op dat eiser zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen in het kader van nareis, zodat hieruit geen persoonlijke problemen volgen, en dat eiser sinds de verkrijging van zijn verblijfsvergunning enkele keren naar Irak is gereisd (voor familiebezoek) en hij heeft verklaard dat hij tijdens die verblijven geen problemen heeft ondervonden.
8. Eiser betoogt dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM. De minister heeft in het bestreden besluit weliswaar privéleven en familie- en gezinsleven met de partner en kinderen ([naam kind 1] en [naam kind 2]) van eiser aangenomen, maar de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. In het kader van zijn privéleven wijst eiser er onder meer op dat hij al sinds zijn vierde in Nederland verblijft, dat hij geen familie in Irak heeft en dat hij de taal daar niet spreekt. In het kader van het familie- en gezinsleven wijst eiser voornamelijk op een Best Interest of the Child-rapportage (BIC-rapportage), waaruit volgt dat zijn vertrek naar Irak invloed heeft op de ontwikkeling van zijn twee kinderen. Daarnaast wijst eiser op verschillende overgelegde stukken, waaronder verklaringen van hemzelf, zijn partner, zijn ouders en zijn medische behandelaars, en enkele foto’s van hem en zijn kinderen.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM.
8.1.1.
De rechtbank stelt bij dit oordeel het volgende voorop. In het bestreden besluit heeft de minister een gemotiveerde belangenafweging gemaakt en daarbij het belang van eiser om zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid om de openbare orde te beschermen. In deze belangenafweging heeft de minister onder meer betrokken dat eiser het grootste deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond, dat hij slechts beperkte banden met Irak heeft, en dat hij kinderen heeft die met hun moeder in Nederland zullen achterblijven. Desondanks heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt. Eiser is het met die belangenafweging niet eens. Maar dan ligt het op zijn weg om in beroep verder te concretiseren waarom dat zo is. Dat heeft eiser niet gedaan. In beroep heeft eiser slechts verwezen naar zijn belangen om in Nederland te blijven, maar die zijn door de minister al in de belangenafweging betrokken en bovendien legt eiser met een enkele verwijzing naar die belangen niet uit waarom de belangenafweging van de minister onjuist, ondeugdelijk of onvoldoende is. Met uitzondering van de BIC-rapportage geldt dat ook voor alle overgelegde stukken. Met het toevoegen van deze stukken aan het dossier legt eiser nog niet uit waarom deze stukken afbreuk doen aan de belangenafweging die de minister heeft gemaakt. De stukken kunnen alleen daarom al niet leiden tot het slagen van dit betoog.
8.1.2.
Verder leidt de BIC-rapportage niet tot het oordeel dat de belangenafweging van de minister ondeugdelijk is. De minister wijst er namelijk terecht op dat in het bestreden besluit is onderkend dat de intrekking van de verblijfsvergunning gevolgen heeft voor de kinderen. Bovendien stelt de minister zich terecht op het standpunt dat uit de BIC-rapportage slechts in het algemeen volgt dat de afwezigheid van een vader een negatief effect op de ontwikkeling van kinderen heeft, maar dat die conclusie niet op de concrete situatie van de kinderen van eiser is betrokken. De juistheid van dat standpunt wordt ook min of meer bevestigd door de onderzoeker en opsteller van de BIC-rapportage, omdat zij in de overgelegde e-mail van 26 november 2025 schrijft dat het precieze effect van eisers vertrek op de kinderen lastig kan worden ingeschat omdat eiser veelvuldig in de gevangenis heeft gezeten. Bovendien bevestigt de onderzoeker dat de continuïteit en stabiliteit van de kinderen in mindere mate in het gedrang komt of lijkt te komen omdat eiser veelvuldig niet in beeld is geweest door de detentie. De BIC-rapportage kan daarom niet tot de conclusie leiden dat de minister de belangen van de kinderen van eiser onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.
Evenredigheid
9. Het betoog van eiser dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning onevenredig is slaagt ook niet. Eiser heeft in dit verband weliswaar gesteld dat de minister ook andere mogelijkheden dan de intrekking van de verblijfsvergunning tot zijn beschikking had, maar hij heeft dat betoog niet nader onderbouwd. Verder heeft eiser gesteld dat zijn familiaire belangen in Nederland de intrekking onevenredig maken, maar eiser heeft ook dat niet geconcretiseerd. Bovendien heeft de minister zich, zoals hiervoor onder 8.1 tot en met 8.1.2 overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM.
Conclusie over deze beroepsgrond
10. De beroepsgrond slaagt niet. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiser intrekken.
Mocht de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekken?
11. Eiser stelt dat de minister de verblijfsvergunning ten onrechte met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Omdat de verblijfsvergunning van eiser valt te herleiden tot een internationale beschermingsgrond, valt deze onder de reikwijdte van de Kwalificatierichtlijn. [13] Daarom mag zijn verblijfsvergunning niet zomaar worden ingetrokken. De minister heeft de intrekking met terugwerkende kracht bovendien niet gemotiveerd anders dan met een verwijzing naar de pleegdatum van het misdrijf, en dat is onvoldoende.
11.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht intrekken. Voor de vraag of de Kwalificatierichtlijn van toepassing is, is bepalend welke verblijfsvergunning is voorafgegaan aan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Als dat een verblijfsvergunning is waarmee aan een vreemdeling de vluchtelingen- of subsidiairebeschermingsstatus is toegekend, dan behelst de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd óók de beëindiging van die status [14] en is de Kwalificatierichtlijn ook van toepassing op de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Aan de huidige verblijfsvergunning van eiser is echter een verblijfsvergunning voorafgegaan die is gebaseerd op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e (oud), van de Vw 2000. Die bepaling correspondeert met het huidige artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 en betreft (dus) een verblijfsvergunning asiel in het kader van nareis. Dat betekent dat eiser nooit een vluchtelingen- of subsidiairebeschermingsstatus heeft verkregen en de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet de beëindiging van die status inhoudt. Daarom is de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser en mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht intrekken. De overige door eiser aangehaalde rechtspraak [15] maakt dit niet anders, omdat deze rechtspraak gaat over de vraag of de minister in het kader van de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moet toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Dat heeft de minister, zoals de rechtbank hiervoor onder 8.1 tot en met 8.1.2 overwogen, gedaan. Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2018 heeft ingetrokken. De minister heeft namelijk niet alleen deze datum genoemd (zoals eiser heeft gesteld), maar ook uitgelegd dat en waarom dit de pleegdatum is van het misdrijf waarmee aan alle voorwaarden voor intrekking van de verblijfsvergunning is voldaan.
Had de minister eiser in het bezit moeten stellen van een Chavez-verblijfsrecht?
12. Eiser betoogt dat de minister hem in het bezit had moeten stellen van een Chavez-verblijfsrecht. De minister heeft volgens eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij niet de juridische en biologische vader is van [naam kind 1] en dat onvoldoende is gebleken welke zorg- en opvoedingstaken hij verricht voor beide kinderen. Eiser wijst ter onderbouwing van dit betoog onder meer op de overgelegde BIC-rapportage, de overgelegde verklaringen van hem en zijn partner en de overgelegde foto’s met zijn kinderen.
12.1.
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een Chavez-verblijfsrecht als hij voldoet aan vier voorwaarden. De vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk hebben gemaakt (voorwaarde a), moet een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit hebben (voorwaarde b), daadwerkelijk voor dat kind zorgen (voorwaarde c) en moet een zodanige afhankelijkheidsrelatie met dat kind hebben dat het kind gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de vreemdeling geen verblijfsrecht wordt verleend (voorwaarde d). [16]
12.2.
De minister heeft in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij voor beide kinderen niet voldoet aan de voorwaarden c en d. Daarnaast heeft hij voor [naam kind 1] ook aan eiser tegengeworpen dat hij niet voldoet aan voorwaarde b, omdat niet is gebleken dat eiser de juridische vader van [naam kind 1] is. De minister heeft die laatste tegenwerping op zitting echter laten vallen. Dat betekent dat tussen partijen alleen nog in geschil is of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en of tussen eiser en de kinderen een zodanige afhankelijkheid bestaat dat de kinderen samen met eiser moeten terugkeren naar Irak als aan hem geen Chavez-verblijfsrecht wordt verleend.
12.3.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor zijn kinderen verricht. Eiser heeft in de zienswijze met een verklaring van zijn partner toegelicht dat zijn zorg- en opvoedingstaken bestaan uit het samen leuke dingen doen, het begeleiden van zijn kinderen bij ziekenhuisbezoeken en tandartsafspraken en het naar school brengen van zijn kinderen. [17] De minister heeft zich daarover in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser deze zorg- en opvoedingstaken onvoldoende concreet heeft gemaakt. In beroep heeft eiser weliswaar nieuwe verklaringen van hemzelf en zijn partner overgelegd, maar daaruit blijken vrijwel dezelfde zorg- en opvoedingstaken als uit de verklaring van zijn partner in de zienswijze, zonder nadere onderbouwing. In zoverre is daarom sprake van een herhaling van zetten. Verder heeft eiser gewezen op enkele foto’s van hem en zijn kinderen, maar heeft hij niet toegelicht welke zorg- en opvoedingstaken daaruit concreet blijken. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser nog altijd niet heeft onderbouwd welke zorg- en opvoedingstaken eiser daadwerkelijk verricht. Bovendien heeft de minister terecht aan eiser tegengeworpen dat eiser pas sinds 17 mei 2021 met zijn partner en kinderen op hetzelfde adres ingeschreven staat en sinds dat moment enkele perioden gedetineerd is geweest. Eiser heeft niet, anders dan met een enkele stelling, onderbouwd dat hij al eerder bij zijn partner en kinderen woonde. Daar komt nog bij dat eiser gedurende de perioden dat hij gedetineerd heeft gezeten geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken heeft verricht en enkel op momenten contact heeft gehad met zijn kinderen. [18] Dat is onvoldoende om daadwerkelijke- zorg en opvoedingstaken aan te nemen. [19] In het verlengde hiervan heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen dat zij gedwongen zouden zijn om met eiser terug te keren naar Irak. De conclusies van de BIC-rapportage kunnen daar – voor zover dat eiser op zitting nog heeft gesteld – niet aan afdoen. De minister wijst er immers terecht op dat hieruit volgt dat de partner van eiser in staat wordt geacht om de kinderen een veilige leefomgeving te bieden en te voorzien in hun primaire levensbehoeften, [20] zodat niet valt in te zien waarom de kinderen van eiser met hem naar Irak moeten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Mocht de minister eiser een terugkeerbesluit opleggen?
13. Het betoog van eiser dat de minister hem geen terugkeerbesluit mocht opleggen slaagt niet. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken en dat de intrekking niet in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft van rechtswege tot gevolg dat eiser Nederland moet verlaten en (dus) een terugkeerbesluit krijgt. [21] De minister was dan ook gehouden om eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat de minister artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn niet bij het terugkeerbesluit heeft betrokken, maar heeft dat verder niet onderbouwd. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor onder 7 overwogen dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM. Zij ziet daarom niet in waarom de minister het in artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn vervatte beginsel van non-refoulement heeft geschonden.
Mocht de minister eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opleggen?
14. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar noodzakelijk is. Gelet op de belangen van eiser en zijn gezin had de minister ook kunnen volstaan met een inreisverbod van kortere duur.
14.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. De minister heeft zich in het bestreden besluit allereerst op het standpunt gesteld dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving aantast (en daarmee voldoet aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium). Eiser heeft dat standpunt niet betwist. De minister heeft vervolgens uitgelegd dat het inreisverbod voor de duur van tien jaar geldt, omdat eiser aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldoet en meerdere keren is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een misdrijf waarop een maximale gevangenisstraf van meer dan zes jaar staat. [22] Daarnaast heeft de minister uitgelegd dat eiser om dezelfde reden een zwaar inreisverbod krijgt (waardoor hij geen rechtmatig verblijf meer kan hebben in Nederland). [23] De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de minister het opleggen van een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar onvoldoende zou hebben gemotiveerd. Omdat de rechtbank hiervoor onder 8.1 tot en met 8.1.2 heeft overwogen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 8 vanPro het EVRM, valt verder ook niet in te zien waarom het opleggen van het inreisverbod met die bepaling in strijd is. De minister had daarom ook niet hoeven volstaan met een inreisverbod van een kortere duur dan tien jaar.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de intrekking van zijn verblijfsvergunning in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S. Kompier en mr. J.M. Emaus, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.HvJEU 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (
3.En ook het grondgebied van de Europese Unie (zonder Ierland), aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein.
4.Deze verblijfsvergunning was gebaseerd op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e (oud), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
5.Dat is mogelijk op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
6.Dat staat in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
7.Dat volgt uit paragraaf C5/4.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), gelezen in samenhang met paragraaf C2/10.3.1 van de Vc 2000. Zie ook ABRvS 25 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3960, r.o. 1.1.
8.Zie ook artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000.
9.Vergelijk artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
10.Dat staat in artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000.
11.De minister wijst op artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000.
12.Zie
13.Eiser wijst op paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en ABRvS 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550. Eiser heeft daarnaast gewezen op ABRvS 25 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3960 en EHRM 12 juni 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0612JUD005413110 (
14.ABRvS 17 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2368, r.o. 4-4.1, met verwijzing naar ABRvS 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550. Deze laatste uitspraak is ook door eiser aangehaald.
15.Daarbij gaat het om ABRvS 25 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3960 en EHRM 12 juni 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0612JUD005413110 (
16.Vergelijk paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000.
17.Zie bijlage 2 bij de zienswijze van 21 september 2022.
18.Zie bijvoorbeeld de verklaring van de partner van eiser van 8 oktober 2024.
19.Zie paragraaf B10/2.5.1.3 van de Vc 2000.
20.Zie de BIC-rapportage van 18 maart 2025, p. 6.
21.Dat volgt uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
22.Daarbij heeft de minister verwezen naar artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van het Vb 2000.
23.Daarbij heeft de minister verwezen naar artikel 66a, vierde en zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.