ECLI:NL:RBDHA:2026:18219

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.27162
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet-toepassing jongvolwassenenbeleid en ontbreken bijkomende afhankelijkheid

Eiseres, een vrouw met de Jemenitische nationaliteit, verzocht namens haar meerderjarige zoon (referent) om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder wees de aanvraag af omdat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was en er geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.

Eiseres voerde in beroep aan dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing was, dat er wel degelijk bijkomende afhankelijkheid bestond en dat verweerder een belangenafweging had moeten maken op grond van het familie- en gezinsleven. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was, mede omdat referent 28 jaar was en getrouwd is geweest.

Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder alle relevante omstandigheden had betrokken bij de beoordeling van de afhankelijkheid en dat er geen bewijs was dat referent financieel of emotioneel afhankelijk was van eiseres. Ook de gezondheidsproblemen van eiseres waren onvoldoende om afhankelijkheid aan te nemen. Omdat geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond, hoefde verweerder geen belangenafweging te maken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27162

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiseres, A. Ifzaren als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1959 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Referent is de meerderjarige gestelde zoon van eiseres en heeft namens haar een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. Eiseres en referent hebben weliswaar het voordeel van de twijfel gekregen, maar verweerder heeft geen nader onderzoek aangeboden omdat er tussen hen geen sprake is van familie- of gezinsleven [1] . Referent valt namelijk niet onder het jongvolwassenenbeleid en er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing op referent. Ten tweede is er wel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ten slotte had verweerder gelet op het familie- en gezinsleven tussen eiseres en referent, een belangenafweging moeten maken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Jongvolwassenenbeleid
5. Volgens het jongvolwassenenbeleid [2] neemt verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouder(s) en het meerderjarig kind aan als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Er hoeft dan geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [3] Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 mei 2024 [4] volgt verder dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit enkel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn of haar leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op referent. Zo heeft verweerder mogen betrekken dat referent 28 jaar oud was ten tijde van de aanvraag en dat hij getrouwd is geweest. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat referent heeft verklaard dat hij in Jordanië heeft gewerkt en dat hij zijn moeder financieel steunde, wat eerder wijst op een omgekeerde afhankelijkheid.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Nu de referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, kan alleen familie- of gezinsleven worden aangenomen tussen hem en eiseres als er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM [5] volgt dat de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. [6] Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [7]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Niet in geschil is dat verweerder hierbij alle relevante omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft mogen betrekken dat het aannemelijk is dat eiseres en referent sinds 2019 noodgedwongen niet meer samenwonen maar dat samenwoning op zichzelf onvoldoende is om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat referent niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij financiële ondersteuning heeft geboden aan eiseres zowel voor als na zijn vertrek naar Nederland. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres zichzelf niet staande kan houden. Verweerder heeft hierbij van belang mogen vinden dat weliswaar is gebleken dat eiseres gezondheidsproblemen heeft, maar niet dat zij hierdoor afhankelijk is van de zorg van referent. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat eiseres banden heeft met Jemen. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij mentale problemen heeft, dat de emotionele band tussen eiseres en referent gebruikelijk is voor een ouder en kind en dat het mogelijk is om het contact op afstand voort te zetten. Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat deze elementen in samenhang bezien ook niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Belangenafweging in het kader van familieleven
7. Uit recente uitspraken van de hoogste bestuursrechter [8] volgt dat als verweerder zich op het standpunt stelt dat er tussen betrokkenen geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid én ook niet op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid, hij geen belangenafweging hoeft te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen volstaan met de conclusie dat geen sprake is van familieleven [9] tussen eiseres en referent.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
2.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, vervangen door de Werkinstructie 2026/3 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (
7.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
8.Uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187.
9.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.