ECLI:NL:RBDHA:2026:18041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34653 en NL26.34738
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a VwArt. 6 VwArt. 14 SchengengrenscodeArt. 3 VwArt. 5.5 Vbkan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toegangsweigering en grensdetentie op grond van Vreemdelingenwet en Schengengrenscode

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende asielzoeker, arriveerde op 7 juni 2026 op Schiphol en vroeg op 8 juni asiel aan. Verweerder legde op grond van de Vreemdelingenwet en de Schengengrenscode een toegangsweigering en een vrijheidsontnemende maatregel op vanwege een onderduikrisico en de verantwoordelijkheid van Spanje voor de asielaanvraag.

Eiser betwistte alle gronden, waaronder het niet rechtmatig binnenkomen, het gebruik van een visum voor asielaanvraag, en het ontbreken van een vast adres. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de vrijheidsontnemende maatregel oplegde, omdat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en het visum niet voor asielaanvraag bestemd was.

De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast, ondanks de overdracht aan Spanje. De beroepen tegen beide besluiten werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen de toegangsweigering en grensdetentie worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.34653 en NL26.34738

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2026 (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.34738) is aan eiser op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode [1] de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2, zaaknummer NL26.34653) is aan eiser op grond van artikel 6a, eerste lid, van de Vw [2] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van de beroepen. Op 26 juni 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend. Op 29 juni 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op diezelfde dag gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Pakistaanse nationaliteit.
Feiten en omstandigheden
2. Eiser is op 7 juni 2026 om 14:17 uur aangekomen op Schiphol met een vlucht vanuit Amman. Hij heeft op 8 juni 2026 asiel aangevraagd. Nadat hij is gehoord, is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw met Dublinaanknopingspunten. Uit onderzoek in het EU-Vis-systeem is namelijk gebleken dat Spanje aan eiser een visum heeft verleend dat geldig is van 6 juni 2026 tot en met 6 juni 2027. Om die reden heeft verweerder op 10 juni 2026 de Spaanse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek op 11 juni 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Spanje vanaf die datum vaststaat. Bij besluit van 17 juni 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] Vervolgens is aan hem op 21 juni 2026 op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd en is de maatregel omgezet naar de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a van de Vw.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
3. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.
Over bestreden besluit 2 (de vrijheidsontnemende maatregel van 21 juni 2026)
4. Op grond van artikel 5.5, vierde lid, van het Vb [4] kan, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo) [5] , een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, onder meer indien er een onderduikrisico bestaat. Uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb volgt dat de maatregel als bedoeld in onder meer artikel 6a van de Vw kan worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien zich ten minste twee van de gronden als bedoeld in het tweede lid van dat artikel voordoen.
Gronden van de maatregel
5. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat. Als gronden [6] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
  • d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
  • r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist alle gronden. Hij voert daartoe aan dat hij Nederland met een geldig visum is ingereisd en dat het enkele feit dat hij bij aankomst asiel heeft aangevraagd niet maakt dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengereisd. Ook heeft hij zich niet onttrokken aan het toezicht en heeft hij niet zonder toestemming tussen lidstaten gereisd. Voorts heeft hij geen pagina’s uit zijn paspoort verwijderd. Hij heeft hierover tijdens het aanmeldgehoor verklaard en verweerder heeft deze verklaring niet ongeloofwaardig geacht, zodat onvoldoende is gemotiveerd dat hij deze pagina’s zelf heeft verwijderd. Daarbij wordt wisselend gesproken over verwijdering van een visum dan wel een vermoeden daarvan. Verder heeft hij geen onjuiste gegevens verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit, aangezien deze overeenkomen met de gegevens in het EU-Vis-systeem, en dat het enkele gebruik van het Spaanse visum voor het indienen van een asielaanvraag niet kan leiden tot vrees voor onttrekking aan het toezicht. Daarnaast is hij niet naar een andere lidstaat gereisd, zodat de grond die ziet op het verstrekken van onjuiste of tegenstrijdige gegevens over de reis naar een andere lidstaat niet op hem van toepassing is. Voorts betwist eiser dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland ambieert en stelt hij dat een eventuele verwijdering van een visum uit zijn paspoort juist verband houdt met het voorkomen van overdracht aan Spanje en behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland. Verder is het verwijderen van een pagina geen toevoeging, zodat verweerders toelichting bij de grond dat eiser in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten innerlijk tegenstrijdig is, nu wordt gesproken over een reisdocument met valse toevoegingen. Tot slot is het ontbreken van middelen van bestaan of een vast adres inherent aan zijn positie als asielzoeker, waardoor dit op zichzelf geen grond vormt voor het aannemen van een risico op onttrekking aan het toezicht of onderduiken.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden a en d terecht aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van deze gronden volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [7] Ten aanzien van grond a stelt de rechtbank vast dat eiser op 8 juni 2026 asiel heeft aangevraagd. Met deze asielaanvraag heeft eiser kenbaar gemaakt een verblijf te beogen dat de duur van het aan hem verstrekte visum te boven gaat. Dit betekent dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. [8] Dat eiser zich niet heeft onttrokken aan het toezicht en niet zonder toestemming tussen lidstaten heeft gereisd, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ten aanzien van de grond d stelt de rechtbank vast dat eiser het aan hem verstrekte visum heeft gebruikt voor het indienen van een asielaanvraag, terwijl dit niet voor dat doel is afgegeven, wat deze grond feitelijk juist maakt. Deze gronden zijn voldoende om de vrijheidsontnemende maatregel te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
8. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kan worden toegepast. Hij is immers in bewaring gesteld met het oog op overdracht aan Spanje, zodat geen sprake is van het onthouden van toegang tot het grondgebied van de lidstaten, maar van een overdracht binnen de lidstaten, waardoor het grensbewakingsbelang minder zwaar weegt dan door verweerder aangenomen. Verder heeft verweerder zich beperkt tot een algemene verwijzing naar het grensbewakingsbelang, zonder een toetsing van de vrijheidsontnemende maatregel aan het evenredigheidsbeginsel, het noodzakelijkheidsbeginsel en het ultimum remedium-criterium zoals neergelegd in punt 65 van de preambule van de AMB-Vo. Daarbij verwijst eiser tevens naar artikel 5, eerste en tweede lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening. [9] Bewaring mag geen automatisme zijn bij een Dublinoverdracht.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens asiel heeft aangevraagd terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a van de Vw. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [10] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
10. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of sinds het opleggen van de eerdere maatregel feiten of omstandigheden zijn veranderd die zich tegen oplegging daarvan verzetten. Eiser heeft daarop verklaard dat de situatie is veranderd en dat hij zich opgesloten voelt, wat invloed heeft op zijn mentale gesteldheid. Ook heeft hij gewezen op allergie- en astmaklachten en gesteld dat gesloten ruimtes ongunstig zijn voor zijn gezondheid. Verder kan hij zijn godsdienstvrijheid niet uitoefenen, omdat op vrijdag geen geestelijke beschikbaar is voor Ahmadiyya's. [11] Uit bestreden besluit 2 blijkt dat verweerder deze omstandigheden kenbaar heeft betrokken bij de afweging of een minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Dat sprake is van een overdracht binnen de lidstaten maakt niet dat dit belang minder zwaar weegt. Verder is niet gebleken dat de maatregel om andere redenen onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie
12. De beroepen zijn ongegrond. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/399.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 3, aanhef onder a, van de Vw.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Verordening (EU) 2024/1351.
6.Artikel 5.6, tweede lid, van de Vb.
7.Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1601, en 7 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2125.
9.Verordening (EU) 2024/1349.
10.AbRvS 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
11.Bestreden besluit 2 van 21 juni 2026, p. 4-6 van 10.