ECLI:NL:RBDHA:2026:18004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
09/009691-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 6 EVRMArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag door steken met mes in buik

Op 8 januari 2024 stak de verdachte het slachtoffer met een mes van ongeveer 7-8 centimeter in de buik, wat een steekwond veroorzaakte die een kijkoperatie noodzakelijk maakte. Het slachtoffer verklaarde consistent en gedetailleerd over het incident, wat door de rechtbank als overtuigend bewijs werd beschouwd. De verdediging voerde vrijspraak aan of een lagere kwalificatie, maar dit werd verworpen.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, omdat het steken met kracht en het risico op dodelijke schade aan organen bewust werd aanvaard. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd afgewezen omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het strafblad van de verdachte, het reclasseringsadvies en de persoonlijke omstandigheden, waaronder het feit dat de verdachte niet meer als tandarts kan werken door het incident. Gezien de ernst werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar verminderde de straf niet verder.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag door steken met mes in de buik.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/009691-24
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Kilinç naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 januari 2024 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik, althans het lichaam van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezenverklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. In het geval de rechtbank van oordeel is dat kan worden bewezenverklaard dat de verdachte de aangever met een mes heeft gestoken, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag en dat alleen de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezenverklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024008419, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 147 en aanvullende stukken).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 9 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 55-56):
Plaats delict: ’s-Gravenhage
Op 8 januari 2024 was ik bij het huis van [adres] [de rechtbank begrijpt: de verdachte]. Ik zag dat [adres] de deur opende. Wij stonden op dat moment op armlengte van elkaar. Ik voelde een soort prik in mijn buik. Ik zag in de linkerhand van [adres] een mes. Ik zag dat het mes ongeveer 7-8 centimeter groot was. Ik keek naar mijn buik en zag dat mijn jas beschadigd was. Ik keek onder mijn shirt en zag dat ik een wond op mijn buik had. Eenmaal thuis keek ik nogmaals naar mijn buik en zag dat er vetweefsel uit de steekwond kwam.
2. Het proces-verbaal van verhoor van [aangever] , opgemaakt op 22 januari 2024, voor zover inhoudende (niet doorgenummerd):
De voordeur ging open en ik zag dat [adres] [de rechtbank begrijpt: de verdachte] in de deuropening stond. Ik zag toen direct een stekende beweging die [adres] maakt met zijn linkerhand naar mijn buik.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 52):
Op 8 januari 2024 was ik in het ziekenhuis. Het slachtoffer gaf daarnaar gevraagd op te zijn genaamd: [aangever] [de rechtbank begrijpt: de aangever [aangever] ]. De dienstdoende arts hoorde ik verklaren: "Dhr. [aangever] heeft een steekwond aan de linkerzijde van zijn buik ter hoogte van zijn navel. Er is vetweefsel geraakt en hij zal een kijkoperatie moeten ondergaan om te zien of er meer schade aan organen is toegebracht door het steken".
3.4.
Bewijsoverwegingen
Steken met een mes door de verdachte
De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman van de verdachte, van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte degene is geweest die aangever [aangever] met een mes heeft gestoken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [aangever] heeft in zijn aangifte op 9 januari 2024 en in zijn verhoren bij de politie op 23 januari en 4 september 2024 en bij de rechter-commissaris op 20 februari en 5 december 2025 gedetailleerd en in de kern consistent verklaard over zowel het steken met een mes door de verdachte, als het slaan en schoppen van de verdachte en het bekrassen van de auto van de verdachte door hemzelf. [aangever] heeft zichzelf daarbij dus niet gespaard. Wat betreft het steken met een mes vindt die verklaring steun in de bevindingen van de politie in het ziekenhuis, waaruit blijkt dat [aangever] een steekwond in zijn buik had.
De onderbouwing van het standpunt van de verdediging geeft onvoldoende aanleiding om aan die verklaring van [aangever] te twijfelen. Het aantreffen van bloed naast de auto van de verdachte past bij de verklaring van [aangever] dat hij die auto heeft bekrast nadat hij door de verdachte was gestoken en als gevolg daarvan een bloedende wond had. De verdachte zelf heeft bovendien verklaard dat het bloed niet van hem afkomstig kan zijn geweest omdat hij binnen is gebleven. Dat enige tijd is verstreken tussen het vertrek van [aangever] vanaf de woning van de verdachte en zijn aankomst in het ziekenhuis geeft evenmin aanleiding tot twijfel aan zijn verklaring. Dat tijdsverloop past in de verklaring van [aangever] dat hij eerst naar huis is gereden, daar met zijn vrouw de wond heeft bekeken en vervolgens naar het ziekenhuis is gebracht. Verder wordt de stelling van de verdediging dat de aangever heeft verklaard dat hij niks heeft gevoeld van de steekwond weerlegd door de hiervoor onder 3.3 opgenomen bewijsmiddelen. Ook de overige door de verdediging aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze onvoldoende tegenwicht bieden aan de verklaring van aangever en het bij hem geconstateerde letsel.
Voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever]
Verder is de rechtbank, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [aangever] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever aanvaard. Het steken met een mes van ongeveer zeven tot acht centimeter in de buik ter hoogte van de navel levert een aanmerkelijke kans op de dood op. In de buik bevinden zich immers organen die door het steken met een dergelijk mes zo beschadigd kunnen raken dat dit tot de dood leidt. Daarnaast moet de verdachte die kans bewust hebben aanvaard door met kracht met dat mes een stekende beweging te maken naar de buik van [aangever] , terwijl [aangever] zich op dat moment op slechts een armlengte afstand van de verdachte bevond. Dat de verdachte met kracht heeft gestoken, blijkt uit het feit dat het mes door de jas en het shirt van [aangever] is gegaan en vervolgens het vetweefsel in de buik van [aangever] heeft geraakt en dat een kijkoperatie nodig was om te bepalen in hoeverre organen waren beschadigd.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 8 januari 2024 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de buik van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. De feiten waarop dat beroep steunt worden weerlegd door de verklaring van aangever. Daaruit volgt dat de verdachte de aangever met een mes heeft gestoken meteen nadat de verdachte de voordeur opendeed en dat op dat moment geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces om de hiervoor onder 4 vermelde reden.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht, zo begrijpt de rechtbank, bij een strafoplegging rekening te houden met de gevolgen van het ten laste gelegde feit voor de verdachte en zijn vrouw.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van het slachtoffer door hem met een mes in de buik te steken. Als gevolg daarvan had het slachtoffer een steekwond in zijn buik en moest hij een kijkoperatie ondergaan. Uit de verklaring van het slachtoffer bij de rechter-commissaris op 20 februari 2025 blijkt dat de steekwond en de kijkoperatie op dat moment flinke littekens op zijn buik hebben achtergelaten. Door zo te handelen heeft de verdachte laten zien het recht op leven van het slachtoffer niet te respecteren. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 mei 2016. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook blijkt daaruit dat hij in de periode van ruim twee jaar en vijf maanden na het bewezenverklaarde feit niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank weegt dit in het voordeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 april 2024. Daaruit blijkt dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat als gevolg van de ontkennende houding van de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de reclassering interventies of toezicht niet nodig acht. De rechtbank zal dit advies volgen. Daarnaast blijkt uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat de verdachte zelf ook flink is toegetakeld door het slachtoffer en dat hij sinds het bewezenverklaarde feit niet meer kan werken als tandarts. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin rekening mee.
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden.
De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van ruim vijf maanden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank volstaat met die constatering en zal de straf niet verder verminderen, gelet op de relatief beperkte duur van die overschrijding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.