ECLI:NL:RBDHA:2026:18003

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
09/231431-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling verpleegkundige in gezondheidscentrum

Op 3 september 2025 heeft de verdachte in een gezondheidscentrum een verpleegkundige mishandeld door hem bij de keel te grijpen en meerdere keren te slaan. De mishandeling vond plaats terwijl het slachtoffer zijn werkzaamheden verrichtte en de verdachte probeerde te helpen. De verdachte heeft het feit bekend tijdens de terechtzitting van 18 juni 2026.

De rechtbank acht het bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en legt een taakstraf van 100 uren op, met een subsidiaire hechtenis van 50 dagen. Van deze taakstraf wordt 40 uur voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden waaronder meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van ruim €10.000, waarvan de rechtbank een bedrag van €6.340,33 toewijst, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank wijst de rest van de vordering af wegens onvoldoende rechtstreeks verband of onevenredige belasting van het strafgeding.

De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoeding aan de Staat, met een betalingsverplichting die kan worden afgedwongen door gijzeling. Er wordt geen contactverbod opgelegd omdat geen aanwijzingen zijn voor ongewenst gedrag jegens het slachtoffer na het incident.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf met deels voorwaardelijke hechtenis en deels toegewezen schadevergoeding van €6.340,33.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/231431-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.J. Balkenende naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 september 2025 te ’s-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] bij de keel te pakken en/of meermaals, althans eenmaal te slaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025298567, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 26).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 juni 2026;

2.Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 3 september 2025 (p. 24-25);

3. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 3 september 2025 (p. 8-9).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 3 september 2025 te ’s-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] bij de keel te pakken en meermaals te slaan.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat een contactverbod met de aangever aan de op te leggen bijzondere voorwaarden zal worden toegevoegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte bezocht een gezondheidscentrum om ontlasting af te geven voor onderzoek. Het slachtoffer, werkzaam als verpleegkundige, gaf de verdachte daartoe instructies. De verdachte weigerde daaraan medewerking te verlenen en greep het slachtoffer bij de keel en sloeg hem meermaals op zijn hoofd en in zijn gezicht. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling.
De rechtbank acht het strafverzwarend dat de verdachte dit deed terwijl het slachtoffer zijn werkzaamheden als verpleegkundige uitoefende in het gezondheidscentrum en de verdachte probeerde te helpen. Hulpverleners dienen te allen tijde hun werk in veiligheid te kunnen verrichten, zonder dat zij daarbij gehinderd worden door agressie van patiënten of derden. De verdachte heeft dit belemmerd door zijn gedragingen jegens het slachtoffer, waardoor letsel is ontstaan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 november 2025, waaruit volgt dat de verdachte gevoelig lijkt voor situaties waarin oplopende spanningen en ervaren onrecht samenkomen. Daarnaast acht de reclassering niet uit te sluiten dat de bij de verdachte gediagnosticeerde ADHD, financiële druk binnen het gezin en de door de verdachte ervaren somberheidsklachten daaraan bijdragen.
Verder blijkt uit het advies dat de reclassering de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld inschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
De rechtbank heeft voornoemde bijzondere voorwaarden ter terechtzitting met de verdachte besproken, waarna de verdachte verklaarde dat hij – indien de rechtbank deze voorwaarden aan hem zou opleggen – bereid is daaraan mee te werken.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2021 door het Gerechtshof Amsterdam ook is veroordeeld voor mishandeling.
De strafoplegging
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, een taakstraf van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen hechtenis, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van voornoemde taakstraf, groot 40 (veertig) uren voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Contactverbod
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, zijn spijtbetuigingen bij de politie en op de terechtzitting en het gegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte nu of in de toekomst ongewenst gedrag jegens de aangever vertoont of zal vertonen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een contactverbod op te leggen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
Het slachtoffer [aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van primair € 10.085,49, subsidiair € 9.340,33, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit primair € 2.585,49, subsidiair € 1.840,33 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij, voor zover de vordering betrekking heeft op de bril, niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Voor wat betreft de gevorderde kosten voor behandelingen bij HSK Groep, heeft de raadsman betoogd dat deze kosten onvoldoende rechtstreeks verband houden met het tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met een geannuleerde gezinsvakantie heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat deze kosten onvoldoende rechtstreeks verband houden met het tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat alleen de gemaakte kosten ten behoeve van de benadeelde partij zelf voor vergoeding in aanmerking komen.
Ten slotte heeft de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat in afwijking van de gevorderde vergoeding moet worden aangesloten bij de categorie van gering hersenletsel van de Rotterdamse Schaal.
Op specifieke standpunten zal – voor zover noodzakelijk - hieronder nader worden ingegaan.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
Materiële schade
Niet betwiste posten
Voor zover de vordering betrekking heeft op de posten voor medicatie die door de huisarts aan de benadeelde partij is voorgeschreven, de door de benadeelde partij gemaakte fysiotherapie- en tandartskosten en de gemaakte reis- en parkeerkosten in verband met ziekenhuisbezoeken, zijn deze niet door de verdediging betwist en voldoende namens de benadeelde partij onderbouwd.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van de voor die posten gevorderde bedragen.
Bril
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de kosten voor een nieuwe bril, tegenover de gemotiveerde betwisting voldoende onderbouwd, waardoor deze post ter grootte van het gevorderde bedrag zal worden toegewezen.
Eigen risico zorgverzekering 2026 (ten aanzien van de behandelingen bij HSK Groep)
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade die de benadeelde heeft geleden in de vorm van het bedrag aan eigen risico dat hij heeft betaald voor zijn behandelingen bij HSK. De benadeelde is met die behandelingen begonnen in verband met psychische klachten als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Dat die behandelingen ook zijn gericht op (andere) trauma’s uit een verder verleden maakt dat niet anders. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze post dan ook ter grootte van het gevorderde bedrag toewijzen.
Geannuleerde vakantie
Het primaire standpunt van de raadsman dat deze kosten onvoldoende rechtstreeks verband houden met deze zaak, volgt de rechtbank niet. Uit de stukken die namens de benadeelde partij ter onderbouwing zijn overgelegd en de toelichting daarvan ter terechtzitting, volgt dat de medische klachten van de benadeelde partij zich in ieder geval gedeeltelijk later hebben geopenbaard en dat hij daardoor niet in staat was om zijn voorgenomen reis te maken. De vakantie was voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit geboekt (en op dat moment is ook de betalingsverplichting aangegaan), waardoor het toen niet voorzienbaar voor de benadeelde partij was dat hij later niet zou kunnen reizen.
De rechtbank volgt de raadsman wel in zijn subsidiaire standpunt dat alleen de kosten ten behoeve van de verdachte zelf voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. In dit verband overweegt de rechtbank dat niet met de vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat de benadeelde partij ook wat betreft de gemaakte reis- en verblijfskosten kosten ten behoeve van zijn echtgenote in zijn vermogen is geraakt.
Gelet op het voormelde zal de rechtbank deze post toewijzen wat betreft de gevorderde kosten ten aanzien van de benadeelde partij zelf en zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor het deel dat ziet op de ten behoeve van zijn echtgenote gemaakte kosten.
7.4.2
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat hij lichamelijk letsel in de vorm van hersenletsel heeft opgelopen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 4.500,00. In dit verband heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de smartengeldbedragen van de Rotterdamse Schaal (categorie e van paragraaf 2.1). De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van immateriële schade. De behandeling van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat dit vraagt om een verdere uitwisseling van standpunten van partijen.
7.4.3
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering deels toewijzen tot een bedrag van € 6.340,33, bestaande uit € 1.840,33 aan materiële schade en € 4.500,00 aan immateriële schade, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
7.4.4
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
7.4.5
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.340,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de benadeelde [aangever] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
100 (HONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
50 (VIJFTIG) DAGEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
40 (VEERTIG) UREN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van polikliniek De Waag of een andere door de reclassering aan te wijzen polikliniek, zoals Fivoor, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde verdiepingsonderzoek en risicoanalyse te laten plaatsvinden. De veroordeelde werkt tevens mee aan behandeling, welke zolang duurt als de reclassering nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 6.340,33 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de benadeelde [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 6.340,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van de benadeelde [aangever] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 56 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.