ECLI:NL:RBDHA:2026:17965
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning arbeid in loondienst en afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
Eiser, een Turkse onderdaan met een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst, was werkzaam bij een supermarkt tot augustus 2022 en begon daarna als zelfstandige. Verweerder trok de verblijfsvergunning in omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden van het Besluit 1/80, met name omdat hij niet binnen negen maanden na het einde van zijn dienstverband weer in loondienst trad.
Eiser voerde aan dat zijn rechten op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 niet verloren mochten gaan en dat hij had moeten worden gehoord. De rechtbank oordeelde dat het verrichten van zelfstandige arbeid niet gelijkstaat aan arbeid in loondienst en dat eiser zijn rechten had verloren. Het horen van eiser was niet verplicht omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.
De rechtbank verwierp de overige beroepsgronden en concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was afgerond. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de EU-verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.